Dutch vocab quiz 24

About this set

Created by:

SebMellab  on June 7, 2011

Subjects:

dutch vocab quiz 24

Description:

Dutch vocab quiz 24

Log in to favorite or report as inappropriate.
Pop out
No Messages

You must log in to discuss this set.

Dutch vocab quiz 24

neighbours
de buren
1/28
Preview our new flashcards mode!

Study:

Cards

Speller

Learn

Test

Scatter

Games:

Scatter

Space Race

Tools:

Export

Copy

Combine

Embed

Order by

Terms

Definitions

neighbours de buren
for sale te koop
same zelfde
wall de muur
chair de stoel
wood het hout
wooden houten
window het raam
to move verhuizen, verhuisde, verhuisden, zijn verhuisd
to knock kloppen, klopte, klopten, hebben geklopt
to enter binnengaan, ging binnen, gingen binnen, zijn binnen gegaan
to push duwen, duwde, duwden, hebben geduwd
to pull trekken, trok, trokken, hebben getrokken
to ring aan bellen, belde aan, belden aan, hebben aan gebeld
bell de bel
to close dichtdoen, deed dicht, deden dicht, hebben dichtgedaan
to shut sluiten, sloot, sloten, hebben gesloten
to lock op slot doen, deed op slot, deden op slot, hebben op slot gedaan
gate het hek/de poort
key de sleutel
to turn omdraaien, draaide om, draaiden om, hebben omgedraaid
bookcase de boekenkast
shelf de plank
fire het vuur
fire de brand
on fire in brand
match de lucifer
to burn branden, brandde, brandden, hebben gebrand

First Time Here?

Welcome to Quizlet, a fun, free place to study. Try these flashcards, find others to study, or make your own.

Set Champions

There are no high scores or champions for this set yet. You can sign up or log in to be the first!