1.
-kijken: -spicere
2.
aanraken; bereiken; treffen: tangere
3.
afwezig zijn; verwijderd zijn: abesse
4.
beloven: promittere
5.
bevelen: iubere
6.
brief; literatuur; wetenschap: litterae
7.
buitengaan; eindigen: exire
8.
dak; huis: tectum
9.
dienen (+ dat.): servire
10.
doden: interficere
11.
dood: mors
12.
geheel: totus
13.
grijpen; roven; meesleuren: rapere
14.
hard werken; lijden: laborare
15.
helpen: adiuvare
16.
komen: venire
17.
lachen; uitlachen: ridere
18.
letter: littera
19.
leven: vivere
20.
liggen: iacere
21.
lijden; betreuren: dolere
22.
lopen: currere
23.
loven: laudare
24.
maken; doen: facere
25.
nemen: sumere
26.
niet meer: non iam
27.
niet weten: nescire
28.
nu: nunc
29.
onderrichten: docere
30.
ook; zelfs: etiam
31.
oorlog: bellum
32.
schrijven: scribere
33.
senator: senator
34.
slapen: dormire
35.
smaken; wijs zijn: sapere
36.
toch niet?: num?
37.
toch wel?: nonne?
38.
trekken; rekken: trahere
39.
vallen: cadere
40.
varen: navigare
41.
veld: ager
42.
ver; veruit: longe
43.
verlangen: cupere
44.
vertellen: narrare
45.
vinden; te weten komen: reperire
46.
vluchten: fugere
47.
voorbijgaan: praeterire
48.
waanzinnig: insanus
49.
weggaan: abire
50.
werpen: iacere
51.
weten: scire
52.
wordt niet vertaald/vraagpartikel: -ne?
53.
zenden; laten gaan: mittere
54.
zwerven; zich vergisen: errare