151 terms

Introduction to Dutch - week 1 - vocabulary

STUDY
PLAY
aan
to
absoluut
absolutely
achtentwintig
twenty eight
achternaam (de achternaam)
last name
adres (het adres)
address
alleen
by yourself
alles
all of it
als
if so
alsjeblieft
here you go
atletiek
athletics
baan (de baan)
job
bedankt
thanks
beetje
little
begrijpen
to understand
zijn
to be
best
best
broer (de broer)
brother
cd (de cd)
CD
centrum (het centrum)
centre
daar
over there
dag
bye now
dank
thanks
dat
now that
de
the
dier (het dier)
animal
docent (de docent)
teacher
dochter (de dochter)
daughter
doen
to do
dus
so
een
a
en
and
foto (de foto)
photo
gaan
to go
geen
no
gewoon
just
goed
good
graag
keen to
groep (de groep)
group
haar
her
hallo
hello
hardlopen
to run
hebben
to have
heel
very
heten
to be called
het
the
hier
right here
hobby (de hobby)
hobby
hoe
how to
hoi
hey there
hond (de hond)
dog
houden van
to like / to love
huis (het huis)
house
hun
their
ik
I
in
in
interessant
interesting
jaar (het jaar)
year
jammer
too bad
je
you (singular, unstressed, subject / object)
jij
you (singular, stressed)
jouw
your (singular)
jullie
you (plural)
kunnen
can, to be able to
kat (de kat)
cat
kijken
to look / to watch
kind (het kind)
child
klassiek
classical
klopt
right
komen
to come, to arrive
laat
late
land (het land)
country
leuk
nice
lezen
to read
lopen
to walk
maar
but
man (de man)
man
marathon (de marathon)
marathon
medicijn (het medicijnen)
medication
meer
more
meneer (de meneer)
mister
met
with
meter (de meter)
meter
mij
me
mijn
my
minuut (de minuut)
minute
misschien
maybe
modern
modern
muziek (de muziek)
music
naam (de naam)
name
naar
to
nee
no
niet
not
nu
right now
nummer (het nummer)
number
of
or
ok
ok
ongeveer
just about
ons
us
onze
our
ook
as well
op
on
oud
old
park (het park)
park
sorry
pardon me
sport (de sport)
sport
spreken
to speak
studeren
to study
taal (de taal)
language
tekst (de tekst)
text
telefoon (de telefoon)
phone
theater (het theater)
theatre
tijd (de tijd)
time
tot
up to
tot ziens
goodbye
twee
two
twintig
twenty
uit
from
universiteit (de universiteit)
university
uw
your
vaak
often
van
from
vandaan
from
veel
a lot
vertalen
to translate
vertaler (de vertaler)
translator
vier
four
vijftig
fifty
vinden
to find
voetbal (het voetbal)
soccer
volgende
next
vrij
free
vrouw (de vrouw)
woman
waar
where
wat
what
we
we
week (de week)
week
welk, welke
which
werken
to work
wie
who
wij
we
wijzen
to point
willen
to want
wonen
to live
ze
they
zes
six
zestig
sixty
zien
to see
zij
they
zingen
to sing
zo
so
zus (de zus)
sister
OTHER SETS BY THIS CREATOR