145 terms

Introduction to Dutch - week 2 - vocabulary

STUDY
PLAY
aardig
nice
acht
eight
afspraak (de afspraak)
appointment
alstublieft
please
auto (de auto)
car
avond (de avond)
evening
beginnen
to begin
berg (de berg)
mountain
betalen
to pay
bezoeken
to visit
bibliotheek (de bibliotheek)
library
bij
at
bijna
almost
bijzonder
special
bus (de bus)
bus
international business (de studie international business)
international business
chocolademelk (de chocolademelk)
chocolate milk
college (het college)
lecture
cursus (de cursus)
course
dag (de dag)
day
dan
by then
danken
to thank somebody
december
December
denken
to think
dertig
thirty
dit
this
donderdag
Thursday
donderdagochtend
Thursday morning
drie
three
drinken
to drink
duizend
one thousand
duur
expensive
duren
to take time
echt
for real
economie (de studie economie)
economy
een
a
eerst
first
eten
to eat
euro (de euro)
euro
faculteit (de faculteit)
faculty
farmacie (de studie farmacie)
pharmacy
fijn
fine
geven
to give
gezin (het gezin)
family
goedkoop
cheap
groot
great
half
half
hen
them
hij
he
hoeveel
how many
hoge
high
honderd
one hundred
hopen
to hope
horen
to hear
horloge (het horloge)
watch
houden
to keep
idee (het idee)
idea
iets
something
ja
yes
jou
you
juli
July
keer
time
kennen
to know
kilometer (de kilometer)
kilometer
klein
small
koffie (de koffie)
coffee
kop (de kop)
cup
kort
short
koud
cold
krant (de krant)
newspaper
kwart
quarter
lang
long
lekker
tasty, nice
les (de les)
lesson
maand (de maand)
month
maandag
Monday
maandagavond
Monday evening
maandagmiddag
Monday afternoon
maart
March
reis (de reis)
trip
mogen
may, to be allowed
markt (de markt)
market
moeten
to have to, must
mooi
beautiful
museum (het museum)
museum
natuurlijk
of course
niets
nothing at all
nog
yet
ober (de ober)
waiter
ochtend (de ochtend)
morning
om
to
oma (de oma)
grandmother
opa (de opa)
grandfather
ouders (de ouders)
parents
paar (het paar)
couple
pauze (de pauze)
break time
per
per
PhD-student (de PhD-student)
phd student
plannen
to plan
plezier
pleasure
prima
very well
probleem (het probleem)
issue
rechten (de studie rechten)
law
restaurant (het restaurant)
restaurant
samen
together
schaatsen
ice skating
serveerster (de serveerster)
waitress
sociologie (de studie sociologie)
sociology
stad (de stad)
city
stadion (het stadion)
stadium
studie (de studie)
study
thee (de thee)
tea
trakteren
to treat
trein (de trein)
train
twaalf
twelve
u
you
uur (het uur)
hour
vakantie (de vakantie)
holidays
ver
far
voetbalwedstrijd (de voetbalwedstrijd)
football match
volgend
next
voor
in front of
vragen
to ask
vreemd
strange
vriend (de vriend)
friend
vriendin (de vriendin)
female friend
vrijdagavond (de vrijdagavond)
Friday evening
wandelen
to hike
wanneer
when
warm
hot
wedstrijd (de wedstrijd)
match
weekend (het weekend)
weekend
weer
weather
weten
to know
weg (de weg)
road
wel
well
winter
winter
wit
white
woorden (de woorden)
phrase
zaterdag (de zaterdag)
Saturday
zeggen
to say
zeker
for sure
zitten
to sit
zondag (de zondag)
Sunday
zondagmiddag (de zondagmiddag)
Sunday afternoon
OTHER SETS BY THIS CREATOR