73 terms

Introduction to Dutch - week 3 - vocabulary

STUDY
PLAY
aardappel (de aardappel)
potato
alle
all
ander
other
april
April
bad (het bad)
bath
badkamer (de badkamer)
bathroom
balkon (het balkon)
balcony
bel (de bel)
bell
beter
better
die
that
ding (het ding)
thing
direct
straight away
doeg
bye
douche (de douche)
shower
echt
real
eten
to eat
gauw
soon
gemakkelijk
easy
gewoon
ordinary
groot
big
huis (het huis)
home
jou
you (singular, stressed, object)
keuken (de keuken)
kitchen
koken
to cook
laatst
last
lang
long
maken
to make
mogen
may, to be allowed
mailen
to mail somebody
maken
to create
mensen (de mensen)
people
misschien
may be
moeilijk
difficult
nemen
to take
nieuw
new
nodig
required
nou
well
vorig
previous
over
about
pan (de pan)
saucepan
paprika (de paprika)
pepper
pasta (de pasta)
pasta
peper (de peper)
pepper
pizza (de pizza)
pizza
plan (het plan)
plan
recept (het recept)
recipe
repareren
to fix
saus (de saus)
sauce
slaapkamer (de slaapkamer)
bedroom
smakelijk
tasty
sporten
to play sports
stamppot (de stamppot)
stew
student (de student)
student
toch
even so
tuin (de tuin)
garden
ui (de ui)
onion
veertien
fourteen
verven
to paint
vis (de vis)
fish
vragen
to ask
vrijdag (de vrijdag)
Friday
vroeger
back then
waar
very true
waarom
why so
water (het water)
water
wonen
to live
woonkamer (de woonkamer)
living room
worst (de worst)
sausage
wortel (de wortel)
carrot
zelf
by myself
zeven
seven
zonnig
sunny
zullen
will, shall