20 terms

Introduction to Dutch - week 2 - grammar (articles)

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

het centrum
the centre
de universiteit
the university
het theater
the theatre
de bibliotheek
the library
een baan
a job
een leuk huisje
a nice little house
de, het
the
een
a / an
het adres
the address
welk adres (het adres)
which address
de koffie
the coffee
welke koffie (de koffie)
which coffee
de stad
the city
onze stad (de stad)
our city
ons adres (het adres)
our address
de studenten
the students
de universiteiten
the universities
broers en zussen
brothers and sisters (siblings)
Nederland
the Netherlands
muziek
music