8 terms

Introduction to Dutch - week 2 - grammar (plural)

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

woorden (het woord, de woorden)
words
vrienden (de vriend, de vrienden)
friends
dagen (de dag, de dagen)
days
dochters (de dochter, de dochters)
daughters
ouders (de ouder, de ouders)
parents
hobby's (de hobby, de hobby's)
hobbies
foto's (de foto, de foto's)
photos
kinderen (het kind, de kinderen)
children