8 terms

Introduction to Dutch - week 3 - grammar (word order)

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Nu wonen we in Nederland.
Now we live in the Netherlands.
Lex kan natuurlijk bij ons wonen.
Lex can live with us of course.
Natuurlijk kan Lex bij ons wonen.
Of course Lex can live with us.
Morgen nemen we de trein van half acht.
Tomorrow we'll take the train from half past seven.
We nemen morgen de trein van half acht.
We'll take the train from half past seven tomorrow.
Moeten jullie in het weekend studeren?
Do you have to study on the weekends?
Wat doet je broer in Amsterdam?
What does your brother do in Amsterdam?
Zullen we naar het theater gaan?
Shall we go to the theater?