60 terms

Geschiedenis

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Industrialisatie
De overgang naar een samenleving waarin de industrie een belangrijk middel van bestaan is.
Sociale wetten
Wetten waarmee de overheid probeert het leven van voornamelijk arme mensen te verbeteren
Liberalen
Politieke groep die vindt dat ieder mens zo veel mogelijk vrijheid moet hebben. De overheid moet zich zo min mogelijk met de samenleving en de economie bemoeien
Socialisten
Politieke groep die vindt dat ieder mens evenveel kansen moet krijgen. De overheid moet de zwakkere in de samenleving helpen
SDAP
Sociaal-Democratische Arbeiders Partij. De grootste socialistische politieke partij.
Algemeen kiesrecht
Iedereen heeft het recht om bij verkiezingen te mogen stemmen.
Vakbond
Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers.
Emancipatie
Evenveel rechten krijgen als andere groepen in de samenleving.
Feministen
Mensen die streven naar gelijke rechten voor mannen en vrouwen.
Eerste feministische golf
De periode tussen 1800 en 1920, toen er veel actie werd gevoerd voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen.
Schoolstrijd
Conflict tussen de (Liberale ) regering en confessionelen over de vraag of de overheid christelijk onderwijs moet betalen.
ARP
Anti-Revolutionaire Partij. Grootste protestantse politieke partij.
RKSP
Rooms- Katholieke Staats Partij. De grootste katholieke politieke partij.
Confessionelen
Politieke groepen of partijen voor wie hun godsdienst het belangrijkste uitgangspunt is voor hun ideeën
Verzuiling
Verdeling van de Nederlandse samenleving in vier groepen : liberalen , socialisten, katholieken en protestanten. Tussen de groepen was nauwelijks contact, iedere groep had zijn eigen kranten, politieke partijen, jeugdclubs e. d.
Pacificatie van 1917
Afspraak tussen de socialisten en de confessionelen. De socialisten hielpen de confessionelen aan een meerderheid om de schoolstrijd op te lossen, in ruil daarvoor stemde de confessionelen voor algemeen kiesrecht.
Belijdenis
Verklaring van wat een bepaalde godsdienst precies gelooft
Kolonie
Een gebied dat door een ander land veroverd is bestuurd wordt.
Nationalisme
Trots zijn op je eigen volk en land.
Militarisme
Trots zijn op alles wat met het leger te maken heeft : uniformen, wapens en medailles.
Bondgenootschap
Een groep landen die elkaar economisch of militair helpen.
Het Von Schlieffenplan
Aanvalsplan dat de Duitse legerleiding aan het begin van de eerste wereldoorlog probeerde uit te voeren.
Neutraal
Niet betrokken zijn bij een oorlog; geen partij kiezen.
Loopgraaf
Een smalle gang in de grond die soldaten graven om zich te beschermen tegen aanvallen van de vijand.
Verdrag van Brest-Litovsk
Vredesverdrag tussen de Sovjet-Unie en de Centralen.
Onbeperkte duikbootoorlog
De beslissing van de Duitse legerleiding om voortaan alle schepen, dus ook die van de neutrale landen, met hun duikboten aan te vallen
Verdrag van Versailles
Naam van het vredesverdrag dat in 1919 in Franse plaatsje Versailles werd ondertekend door alle landen die bij de eerste wereldoorlog betrokken waren. Vooral Duitsland kreeg in het Verdrag van Versailles zware straffen opgelegd
Totale oorlog
Een oorlog waarbij niet alleen soldaten, maar de hele maatschappij is betrokken.
Volkenbond
Organisatie die naar de eerste wereldoorlog werd opgericht en waarin vertegenwoordigers van tientallen landen met elkaar overlegden. Het doel van de Volkenbond was het voorkomen van nieuwe oorlogen.
Mobilisatie
Het leger klaarmaken voor de oorlog. Het Nederlandse leger was tijdens de eerste wereldoorlog gemobiliseerd
Russische Revolutie
Volksopstand in Rusland in 1917 waarbij de communisten de macht overnamen van de Tsaar
Communisten
Politieke groep die gelooft dat armoede kan worden opgelost. Door privébezit af te schaffen, alle bezittingen zijn eigendom van de staat
Totalitaire Samenleving
Samenlevingsvorm waarbij de overheid alle macht heeft
Terreur
Geweld tegen willekeurige personen
Showproces
Oneerlijke rechtszaak waarbij het vonnis al van tevoren vaststaat
Planeconomie
Economisch systeem waarin de overheid bepaald wat en hoeveel er wordt geproduceerd
Beurskrach
Een snelle daling van aandelen
Republiek van Weimar
Naam voor de Duitse ( democratische ) republiek tussen 1919 en 1933
Fascisten
Politieke groep die gelooft dat een land een sterke leider moet hebben. Fascisten zijn nationalistisch en keuren geweld goed
Propaganda
Politieke reclame
Persoonsverheerlijking
Reclame voor een politieke leider. Persoonsverheerlijking is een voorbeeld van propaganda
NSDAP
Nationaal- Socialistische Duitse Arbeiders Partij. De politieke partij van Adolf Hitler
Nationaal- Socialisme
Politieke stroming die uitgaat van een sterke leider, nationalisme, geweld tegen tegenstanders en racisme
Lebensraum
Duits voor leefruimte. Het idee dat het Duitse volk meer grondgebied nodig heeft
Antisemitisme
Jodenhaat
Rassenleer
Het idee dat metsen van verschillende rassen afstammen en dat het ene ras beter is dan het andere
Gelijkschakeling
Ontwikkeling in Duitsland tussen 1933 en 1937 waarbij de Nazi's alle onderdeken van de samenleving gingen controleren
Cencuur
Controle van de media door de overheid
Indoctrinatie
Mensen alleen bepaalde ideeën laten horen en zien zodat ze die ideeën gaan geloven zonder erbij na te denken
Neurenberger Rassenwetten
Duitse racistische wetgeving uit 1935. Joden kregen minder rechten en meer plichten
Werkverschaffingsprojecten
Projecten waaraan werklozen tegen een laag loon werkten en die van nut waren voor iedereen
Aanpassingspolitiek
Beleid van de overheid om niet meer geld uit te geven dan er binnen komt
NSB
Nationaal- Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die op veel punten met de Duitse NSDAP eens was
Pieter Jelles Troelstra
1860-1930
Aletta Jocobs
1854-1929
Abraham Kuyper
1837-1920
Lenin
1870-1924
Stalin
1878-1953
Adolf Hitler
1889-1945
Hendrick Colijn
1869-1944