43 terms

Geschiedenis hoofdstuk 4

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Nationalisme
Sterke liefde voor het eigen volk, het verlangen naar een eigen staat en het streven om de eigen staat sterker te maken.
Vijandbeelden
Negatief (vijandig) beeld over andere volkeren.
Militarisme
Verheerlijking van alles wat met het leger (en met oorlog) te maken heeft.
Wapenwedloop
Strijd om het bezit van de meeste en krachtigste wapens.
Kolonialisme
Het gedrag van landen met kolonies.
Centralen
Duitsland, Oostenrijk en hun bondgenoten in de Eerste Wereldoorlog.
Geallieerden
Bondgenoten, in de Eerste en Tweede Wereldoorlog Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland/Sovjet-Unie, de VS en hun bondgenoten.
Loopgraven
Gang in de grond waarin militairen bescherming zoeken tegen vijandelijk geweervuur.
Propaganda
Het eenzijdig verspreiden van bepaalde ideeën.
Censuur
Toezicht op de media, bedoeld om bepaalde informatie tegen te houden.
Totale oorlog
Oorlog waaraan niet alleen het leger maar de hele maatschappij meedoet.
Internationale solidariteit
Saamhorigheid over de grenzen van landen heen.
Revolutionair
Iemand die voor een revolutie strijdt.
Revolutie
Ingrijpende verandering van de maatschappij.
Dictatuur
Land met onbeperkte macht voor de regering.
Rode Leger
Het communistische leger, vanaf 1922 het leger van de Sovjet-Unie.
Communisme
Revolutionair socialisme volgens de opvattingen van Lenin.
Sovjet-Unie
Communistische staat die in de plaats kwam van het Russische Tsarenrijk.
Totalitarisme
Systeem waarin de staat controle heeft over vrijwel alle onderdelen van de samenleving.
Planeconomie
Economie waarin de staat vooraf bepaalt wat er geproduceerd moet worden.
Stalinisme
Extreem onderdrukkende vorm van communisme.
Terreur
Geweld om angst aan te jagen.
Zuiveringen
Het wegwerken van mensen die onbetrouwbaar worden gevonden.
Showproces
Rechtszaak die voor de schijn wordt gehouden; de uitslag staat van tevoren al vast.
Geheime politie
Politie die in het geheim werkt.
Persoonsverheerlijking
Het overdreven prijzen van iemand.
Indoctrinatie
Het systematisch en eenzijdig opdringen van bepaalde ideeën.
Republiek van Weimar
Naam van het democratische Duitsland van 1919 tot 1933.
Herstelbetalingen
Betalingen voor herstel van schade (meestal na oorlog).
Demilitarisering
Het verminderen van het aantal wapens, militairen en andere militaire zaken.
Lidstaat
Staat die lid is van een internationale organisatie.
Antisemitisme
Haat tegen de joden.
Rassenleer
De onwetenschappelijke leer dat er superieure en minderwaardige rassen bestaan.
Economische crisis
Ernstige achteruitgang van de economie.
Beurskrach
Plotselinge, scherpe daling van de koersen van aandelen.
Concentratiekampen
Plaats waar ´ongewenste´ mensen of groepen zonder rechtszaak worden opgesloten.
Gelijkschakeling
Het ondergeschikt maken van organisaties aan de doelen van de regering.
Blitzkrieg
Bliksemoorlog, snelle, beweeglijke oorlogsvoering.
Capitulatie
Overgave, officiële verklaring dat je de strijd maakt.
D-day
Beslissende dag, de dag van de geallieerde invasie in West-Europa/
Asmogendheden
Duitsland, Italië en Japan in de Tweede Wereldoorlog.
Tweefrontenoorlog
Oorlog die op twee verschillende fronten wordt gevoerd.
Holocaust
Massamoord op de joden in de Tweede Wereldoorlog.