9.Structurering

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

lijn-staforganisatie
leidinggevenden in een lijnorganisatie worden bijgestaan door medewerkers met specialistische kennis en deskundigheid.
matrixorganisatie
het uitgangspunt voor dit organisatiestelsel s de lijn of de lijn-staforganisatie. Naast de afdelingshoofden zijn er projectleiders die verantwoordelijk zijn voor de projectuitvoering. Dit betekent dat de medewerker met twee leiders te maken heeft aan wie verantwoording met worden afgelegd. Er is altijd sprake van meerhoofdige zeggenschap.
virtuele organisatie
een organisatievorm waarbij internet en andere technologieën worden toegepast met als doel mensen met elkaar te laten communiceren, overleggen, leren en informatie uit te wisselen, zonder dat ze noodzakelijkerwijs samen hoeven te komen op een fysieke locatie. Deze organisatievorm wordt ook wel 'grenzeloze onderneming'' genoemd.
structurering
het ontwerpen van een organisatiestructuur, waarbinnen mensen en middelen worden afgestemd op de te bereiken doelstellingen van de organisatie. Getracht wordt een optimale oplossing te vinden voor zowel de externe als interne afstemming.
taakverruiming
elementen van een kwalitatief gelijk niveau worden aan de taak toegevoegd, zodat een meer compleet takenpakket gevormd wordt.
configuratiebenadering
Het in elkaar schuiven van organisatie eigenschappen als organisatieleden, coördinatiemechanismen, ontwerpparameters en situationele factoren.
organistisch organisatiemodel
De organisatie functioneert op basis van de sociale behoeften van de organisatieleden, de organisatie heeft in zijn opbouw en functioneren veel weg van een levend orgaan. In dit stelsel staat het functioneren van de organisatieleden centraal.
mechanisch organisatiemodel
De organisatie functioneert op basis van rationele en praktisch haalbaar overwegingen, de organisatie heeft in haar opbouw en functioneren veel weg van een machine. Vooral technische en economische efficiency staan hierbij centraal.
informele organisatie
alle niet tot de formele organisatie behorende taakverdelingen en relaties.
interne differentiatie
De te verrichten werkzaamheden worden gegroepeerd op basis van gelijksoortigheid F(unctionele)-indeling.
horizontale organisatie
een organisatie die ontworpen wordt op basis van het optimaliseren van activiteiten tussen afdelingen. Deze organisatievorm wordt ook wel workfloworganisatie genoemd.
organisatieschema
geeft een vereenvoudigde, schematische voorstelling van de wijze waarop formeel taken verdeeld zijn over personen en /of afdelingen en hoe de gezagsverhoudingen liggen tussen personen en/of afdelingen.
werkstructurering
het bewust rekening houden met technische, economische en sociale aspecten van het werken in een organisatie of een afdeling.
clusterorganisatie
een organisatievorm waarbij een teamstructuur centraal staat.
omspanningsvermogen
het aantal ondergeschikten waaraan een leider effectief leiding ka geven.
communicatiematrix
per interne en externe doelgroep wordt aangegeven welke communicatiemiddelen worden ingezet, wie de 'zenders' zijn en hoe de planning verloopt.
zuivere projectorganisatie
het uitgangspunt voor dit organisatiestelsel is de lijn- of de lijn--staforganisatie. Hiervan is sprake indien de projectleiding beschikt over alle bevoegdheden die noodzakelijk zijn om de project te beheersen. Een ander kenmerk is dat organisatie wordt opgesplitst in verschillende afdelingen ofwel 'pools'.
personele structuur
heeft betrekking op de mensen inde organisatie zelf. Bij het vaststellen van de structuur wordt aandacht besteed aan hiërarchische verhoudingen, bevoegdheden, personele bezettingen en communicatie.
verticale differentiatie
In het geheel van werkzaamheden in een organisatie wordt een aantal niveaus onderscheiden. Dit km voort uit kostenoverwegingen: bepaalde werkzaamheden worden overgedragen aan een lager hiërarchisch niveau.
arbeidsverdeling
Het verdelen van de werkzaamheden in deeltaken, die toegewezen worden aan personen of andere werkverbanden in een organisatie, zoals afdelingen.
ontwerpparameters
zijn bepalend voor de arbeidsverdeling in een organisatie: functiespecificatie, omvang van afdelingen of groepen, centralisatie of decentralisatie en formalisering van het gedrag.
coördinatiemechanismen
het aanwezige werk moet worden verdeeld onder de werknemers en de werkzaamheden moeten worden afgestemd. Dit om te zorgen dat de werkzaamheden ook efficiënt en effectief worden uitgevoerd.
verantwoordelijkheid
zowel de morele verplichting om een taak naar beste vermogen uit te voeren, als de plicht om over de uitvoering van die taak te rapporteren.
organieke structuur
De verdeling van alle werkzaamheden over verschillende functies en vervolgens over organen waarbinnen bepaalde (groepen) functies worden vervuld.
organisatiestructuur
de manier waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in een organisatie zijn verdeeld ende onderlinge relaties zijn geregeld.
bevoegdheid
het recht hebben om beslissingen te nemen, die voor uitvoeren van ene taak nodig zijn.
interne specialisatie
de te verrichten werkzaamheden worden gegroepeerd op basis van het eindresultaat P(roduct)-indeling; M(arkt)-indeling en G(eografische)-indeling.
divisieorganisatie
organisatievorm waarbij de bedrijfsactiviteiten gegroepeerd worden rond een aantal aanverwante producten/markten en ondergebracht in divisies.
taakroulatie
medewerkers wisselen onderling taken uit.
contingentie- of situationele factoren
factoren die de keuze beïnvloeden van de organisatiedelen, coördinatiemechanismen en ontwerpparameters, en die hier ook zelf weer door worden beïnvloed. De organisatiestructuur is afhankelijk van het technische systeem, de omgevingsfactoren van de organisatie en de leeftijd en omvang van de organisatie.
spanwijdte
het aantal direct ondergeschikten aan wie een leider leiding geeft( ook wel spanbreedte of span of depth genoemd)
lijnorganisatie
de bevelvoering vindt uitsluitend laats langs verticale weg er is sprake van strikt hiërarchische verhoudingen tussen de leider en ondergeschikte.
decentralisatie
de beslissingsbevoegdheden zijn verdeeld over meer plaatsen, ook lager in de organisatie.
functionele indeling
arbeidsverdeling die gericht is op de opeenvolging van bewerkingsprocessen, onafhankelijk van het product dat gemaakt wordt.
uitvoerende kern
aan de basis van de organisatie wordt werk verricht dat direct is gerelateerd aan de productie van de goederen en diensten, de zogenoemde bedrijfsprocessen (Mintzberg).
delegeren
wanneer taken met de daarbij benodigde bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden overgedragen
afgeplatte organisatie
een organisatie waarbij het aantal managementniveaus is gereduceerd.
centralisatie
de beslissingsbevoegdheden zijn geconcentreerd op een plaats, meestal de top.
communicatie
alle activiteiten waardoor informatie wordt overgebracht naar andere mensen. Het gaat daarbij om de uitwisseling van gegevens, feiten, gedachten en gevoelens.
linking-pin-structuur
een bijzondere overlegstructuur met overlappende groepen. De linking pin is hierbij de leider of verbindingsschakel van een greep die de besluitvorming op een hogere niveau kan beïnvloeden. De verbinding kan horizontaal, verticaal of diagonaal zijn.
spandiepte
het aantal niveaus waaraan (in)direct leiding wordt gegeven. Het gaat hier om de mate waarin de wil van de leider tot de laagste organisatieniveaus doordringt (ook wel depth of control genoemd).
taakverrijkiing
elementen van een kwalitatief hoger niveau worden aan de taak toegevoegd.