Aardrijkskunde Water

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Afstromen.
Het over het landoppervlak en via rivieren wegstromen van water naar rivieren.
Aquifer.
Een bodemlaag met veel grondwater.
Bemaling.
Het wegpompen van water uit de polder.
Benedenloop.
Het laatste stuk van een rivier, vaak met een lage stroomsnelheid.
Beregening.
Irrigatie waarbij water wordt aangevoerd via buizen en wordt verspreid met sproeiers.
Binnenwater.
Rivier, kanaal of meer.
Bodemerosie.
Het verdwijnen van de bovenste laag van de bodem.
Boezem.
Tijdelijke opslaggebied van water, bestaande uit kanalen en meren.
Bovenloop.
Het eerste stuk van een rivier, vaak met een hoge stroomsnelheid.
Brak water.
Water op de overgang van zoet naar zout.
Bronoase.
Plaats in de woestijn waar grondwater aan de oppervlakte komt.
Buitenwater.
Oppervlaktewater buiten de polders; zeewater.
Chemische vervuiling.
Vervuiling met niet-organische stoffen.
Condenseren.
De overgang van water in gasvormige toestand naar vloeibare toestand.
Debiet.
De hoeveelheid water die op een bepaald punt in de rivier passeert.
Delta.
Vertakte riviermonding.
Deltaplan.
Plan dat het zuidwesten van Nederland tegen overstromingen beschermt, door de afsluiting van zeegaten met dammen en stormvloedkeringen.
Dijkverhoging.
Verbetering van dijken door ze hoger en sterker te maken.
Dijkverlegging.
Het verplaatsen van een dijk.
Doorlaatbaarheid.
Het gemak waarmee water door een grondsoort stroomt.
Draineren.
Overtollig water laten weglopen.
Drinkwater.
Het water dat geschikt is voor menselijke consumptie.
Drinkwaterwinning.
Het maken van drinkwater uit grond-, oppervlakte- of zeewater.
Druppelirrigatie.
Hightech irrigatie waarbij elke plant met behulp van computers via een buisje precies voldoende water krijgt.
Duurzaam.
Als een natuurlijke hulpbron bij menselijk gebruik gelijk blijft of zelfs in hoeveelheid toeneemt.
Filterende werking.
De eigenschap van grondsoort of filter dat de vervuiling uit het water zeeft.
Fossiel water.
Grondwater uit een periode dat het Midden-Oosten een natter klimaat had.
Gemengde rivier.
Rivier die naast regenwater ook smeltwater van gletsjers afvoert.
Getijden.
Eb en vloed.
Gletsjerrivier.
Een rivier die alleen smeltwater van gletsjers afvoert.
Grijs water.
Licht vervuild water.
Grondsoort.
Vast materiaal met een bepaalde korrelgrootte waaruit de bodem bestaat.
Grondwater.
Water tussen de bodemdeeltjes in de grond.
Grondwaterpeil.
Bovenkant van het grondwater.
Hoogteligging.
De ligging ten opzichte vaan het zeeniveau.
Hoogvlakte.
Gebied met weinig of geen reliëf dat hoger ligt dan 500 meter.
Huishouden.
Eén of meer personen die gezamenlijk op één adres wonen.
Hydro-elektriciteit.
Met waterkracht opgewekte elektriciteit.
Industrieel watergebruik.
Watergebruik in fabrieken.
Infiltratie.
Het proces waarbij regenwater wegzakt in de bodem.
Irrigatie.
Het kunstmatig bevloeien van landbouwgronden.
Koelwater.
Water dat gebruikt wordt om machines af te koelen.
Komgrond.
Laaggelegen gebied, wat verder van de rivier.
Korte kringloop.
De kringloop van water boven zee: de neerslag valt regelrecht terug in zee.
Krib.
Stenen dam in een rivier om de vaargeul vast te leggen en op diepte te houden.
Kunstmatige afwatering.
Gegraven sloten en kanalen die water afvoeren uit een gebied.
Kust.
De grens tussen land en zee.
Kustverdediging.
Alle maatregelen die voorkomen dat het land in zee verdwijnt.
Kwel.
Het stromen van water tussen de bodemdeeltjes in de grond.
Lange kringloop.
De kringloop van water boven zee en land: de neerslag valt op het land en gaat via een 'omweg' terug naar zee.
Middellandse Zeeklimaat.
Klimaat van de gematigde luchtstreek met warme, droge zomers en zachte, vochtige winters.
Middenloop.
Het middelste deel van een rivier.
Modderstroom.
Stroom van modder na zware regenval op een ontboste helling.
NAP.
Normaal Amsterdams Peil, het gemiddelde zeeniveau.
Natuurlijke afwatering.
Beken en rivieren die water afvoeren uit een gebied.
Nevengeul.
Extra geul naast een rivier om bij hoog water meer rivierwater kwijt te kunnen.
Oeverwal.
Hoger gelegen gebied direct langs de rivier.
Ontbossing.
Het kappen van bossen door de mens.
Ontwateren.
Overtollig water weg laten lopen.
Ontzilten.
Zout zeewater omzetten in zoet water.
Oppervlakte irrigatie.
Irrigatie waarbij water wordt aangevoerd via kanaaltjes en sloten.
Oppervlaktewater.
Water in sloten, meren, plassen, kanalen, rivieren en de zee.
Organische vervuiling.
Vervuiling met stoffen die afkomstig zijn van planten en dieren.
Overloop.
Lager stuk van een dijk, waar water uit een overvolle rivier tijdelijk en gecontroleerd naar een polder kan stromen.
Piekafvoer.
Extreem hoge waterafvoer in een rivier.
Polder.
Gebied met een kunstmatige waterstand, omringd door dijken.
Proceswater.
Water dat in landbouw, fabrieken en elektriciteitscentrales wordt gebruikt, maar niet verbruikt.
Regenrivier.
Rivier die helemaal afhankelijk is van regenwater.
Regenwater.
Water dat bij regen uit de lucht valt.
Regiem.
Schommelingen in de waterafvoer van een rivier.
Reliëf.
Hoogteverschillen in het landschap.
Rijkswaterstaat.
Landelijke organisatie die zorgt voor de veiligheid, bevaarbaarheid en waterkwaliteit van de grote rivieren en de zee.
Riviermonding.
De plaats waar een rivier uitmondt in zee.
Rivieroase.
Een oase waarbij een rivier die door de woestijn stroomt, zorgt voor de aanvoer van water vanuit een natter gebied.
Sedimentatie.
Afzetting van zand en klei.
Sluis.
Bouwwerk dat bedoeld is om schepen te laten passeren in een waterweg met een verschillend waterpeil.
Smeltwater.
Gesmolten ijs, sneeuw of hagel.
Spaarbekken.
Opslagplaats voor water voor later gebruik.
Steppeklimaat.
Droog klimaat (200-400 mm per jaar); minder droog dan woestijnklilmaat.
Stroomgebied.
Het gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren.
Stroomstelsel.
Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die in hetzelfde stroomgebied liggen.
Stuw.
Bouwwerk dat bedoeld is om water vast te houden.
Stuwdam.
Dam in een rivier die de waterstand regelt.
Stuwmeer.
Kunstmatig meer achter een stuwdam.
Thermische vervuiling.
Vervuiling met warm water.
Uiterwaard.
Gebied tussen de rivier en de winterdijk dat bij hoog water onder water loopt.
Uiterwaardafgraving.
Het weghalen van grond uit een uiterwaard, zodat er meer ruimte voor water is.
Verdamping.
De overgang van water in waterdamp.
Verdroging.
Het verschijnsel waarbij de waterspiegel in het grondwater daalt ten opzichte van het normale niveau.
Verzilting.
Het zouter worden van de grond- of oppervlaktewater.
Wadi.
Een woestijnrivier die maar een deel van het jaar water bevat.
Waterbalans.
De verhouding tussen neerslag en verdamping.
Waterkringloop.
De voortdurende verplaatsing van water, waarbij het steeds overgaat van de ene toestand in de andere.
Waterkwaliteit.
De mate van bruikbaarheid van water.
Waterkwantiteit.
De hoeveelheid water.
Waterschap.
Regionale organisatie die zorgt voor de veiligheid, bevaarbaarheid, kwaliteit en het peil van het water in een gebied.
Waterscheiding.
De grens tussen twee stroomgebieden.
Watervervuiling.
De toegevoegde stoffen aan het water, waardoor het minder geschikt wordt om het te gebruiken.
Watervoetafdruk.
Al het zoete water dat iemand gebruikt voor huishouden en landbouw- en industrieproducten.
Waterwingebied.
Gebied waar water wordt gewonnen voor proceswater of drinkwater.
Waterwinning.
Het onttrekken van water aan grond-, oppervlakte-, of zeewater voor verschillende doelen.
Wiel.
Meertje dat ontstaat bij een dijkdoorbraak.
Winterdijk.
Rivierdijk, die het water keert bij de hoogste waterstand.
Woestijnklimaat.
Droog klimaat (0-200 mm per jaar); droger dan steppeklimaat.
Zeewering.
Dijken, duinen en dammen die de zee van het land scheiden.
Zelfreinigend vermogen.
De eigenschap van water dat het lichte vervuiling zelf kan opruimen.
Zoetwaterzak.
Reservevoorraad zoet grondwater in de duinen.
Zomerdijk.
Dijk dicht bij de rivier die het water bij een lage rivier stand keert.