How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

51 terms

Dutch chapter 1

STUDY
PLAY
tot ziens
Until next time
doei
goodbye
bellen
to call
bij
at
en
and
gaan
to go
geven
to give
Heb: ik
Ik heb
Heb: jij
Jij hebt
Heb: hij/zij
Hij/zij heeft
Heb: wij
Wij hebben
Heb: jullie
Jullie hebben
Heb: zij
Zij hebben
heten
to be called
invullen
to fill in
kennen
to know
kijken
to look
de krant
newspaper
meedoen
to participate
onder
other
op
on/at
omdat
because
staan
to stand
vandaan
from
volgen
to follow
weggaan
to leave
welk
which/what
wie
who
Zijn: ik
Ik ben
Zijn: jij
Jij bent
Zijn: hij/zij
Hij/zij is
Zijn: wij
Wij zijn
Zijn: jullie
Jullie zijn
Zijn: zij
Zij zijn
de zoon
son
de zus
sister
zetten
to put
zonder
without
Ben je.../heb je...
Do you have...? Are you...?
halen
to get
hoeven
to need to
maken
to make
nu
now
wachten
to wait
snel
quick
langzaam
slow
ander
other
anders
different
genoeg
enough
voordat
before
vorig
last