32 terms

Nederlands Woordenschat Hoofdstuk 1 Opdracht 7

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Expliciet
Uitdrukkelijk
Impliciet
Niet uitdrukkelijk; stilzwijgend
Intramuraal
Tussen de muren; binnenshuis; binnen de stelling
Extramuraal
Buiten de muren; wat zich buiten het huis of de stelling afspeelt
Organisch
Het karakter dragend van een orgaan; ingericht als iets levends
Anorganisch
Niet levend; niet tot het dieren- of plantenrijk behorend
Antipathie
Weerzin; negatieve gevoelens ten opzichte van een persoon
Sympathie
Positieve, warme gevoelens ten opzichte van een persoon
Continu
Doorgaand; niet ophoudend
Discontinu
Met onderbrekingen
Illusie
Droombeeld; ideale, onwerkelijke voorstelling van iets
Desillusie
Verstoring van een droombeeld
Relevant
Van belang, ter zake (doend)
Irrelevant
Niet van belang, niet ter zake (doend)
Held
Iemand die zich dapper en groots gedraagt
Antiheld
Het tegendeel van een held; soort lafaard
Motiveren
Stimuleren; redenen geven om zich voor iets in te spannen
Demotiveren
Niet stimuleren; redenen geven om zich niet voor iets in te spannen
Actief
Bezig; werkend
Inactief
Passief; niet werkend
Materieel
Stoffelijk; wat uit materie bestaat
Immaterieel
Niet stoffelijk; geestelijk
These
Stelling
Antithese
Tegenstelling
Intensief
Grondig; met grote intensiteit
Extensief
Niet grondig; oppervlakkig
Prenataal
Wat voor de geboorte plaatsvindt
Postnataal
Wat na de geboorte plaatsvindt
Productief
Iets opleverend
Improductief
Niets opleverend
Functioneren
Werkend; een functie vervullen
Disfunctioneren
Niet (goed) werken; een functie slecht vervullen