Maatschappijwetenschappen

Terms in this set (96)

- Werkloosheid, (met name onder jongeren en etnische minderheden)
- Sterk toegenomen welvaart, (bijv. iedereen heeft een smartphone dus veel gelegenheid om dure dingen te stelen)
- Toegenomen alcohol- en drugsgebruik;
- Afnemend gezag van de overheid, (minder vertrouwen in justitieel apparaat (strafsysteem, hanteren politie en justitie rechtmatige middelen? Worden de juiste daders gepakt en krijgen die de juiste straf? Minder gezag leidt ook tot eer belasting- en uitkeringsfraude.)
- Afnemende betekenis van het zgn. 'maatschappelijke middenveld' (onder andere gezin, school en verenigingen) als gevolg van het proces van individualisering (ook wel genoemd het zwakker worden van maatschappelijke bindingen);
- Veranderend norm- en waardenbesef (door verminderde betekenis van levensbeschouwing / secularisatie / ontzuiling en ideologie - mensen zijn 'pragmatischer' geworden)
- Geringe pak- en strafkans: het sterke verband tussen het ongestraft laten van overtredingen van regels en de toename van criminaliteit. De toename van het aantal overtredingen wordt onder andere ook veroorzaakt door de enorme hoeveelheid (fraudegevoelige) regelingen en regels en de beperkte omvang van het justitiële apparaat, waardoor is;
- De informele sociale controle. (sterk verzwakt door o.a. verstedelijking, ontzuiling en individualisering. Verlies aan traditionele gezagsverhoudingen binnen bijv. gezinnen, scholen, bedrijven. Daarnaast is ook de functionele controle (politie, controleurs en andere toezichthouders) in de laatste decennia afgenomen;
- Verhoudingen tussen autochtonen en allochtonen; (het wij-zij gevoel, segregatie en daaruit voortkomend onbegrip & conflicten)
- Technologische ontwikkelingen, (Internet, ICT zorgen voor digitalisering van criminaliteit - cybercrime)
- Internationalisering (grenzen vervagen dus criminaliteit kan zich makkelijker over landsgrenzen heen verspreiden)
- Geslacht: Criminaliteit is vooral een zaak voor mannen. Vrouwen vertonen minder vaak en minder ernstig crimineel gedrag (gemiddeld). Sinds de emancipatie is dit wel aan het toenemen.

- Leeftijd: Uit onderzoek blijkt dat jongeren in hun adolescentie, van 16 tot 23 jaar, vaker delicten plegen.
Dit geldt met name voor groepen met onderstaande problemen / kenmerken:
- Weinig besef van geldende normen
- Veel problemen, als gokverslaving, overmatig drugs en alcohol gebruik
- Gebrekkige sociale vaardigheden
- Weinig perspectief op werk en carrière

- Maatschappelijke positie: Uit misdaadstatistieken blijkt dat mensen met een lagere maatschappelijke positie vaker
betrokken zijn bij agressieve delicten, zoals diefstal en inbraak. Vermogensdelicten als
belastingontduiking en verduistering komen vooral voor in hogere en middenklassen. (witteboordencriminaliteit). Belastingontduikers worden bijvoorbeeld lang niet altijd opgespoord.

- Etnische afkomst: Het percentage allochtonen dat in aanraking komt met de politie is hoger dan dat onder autochtonen. Dit geldt vooral onder jongeren (tweede generatie migranten); de eerste generatie allochtonen vertoonde juist een lagere criminaliteitsscore dan autochtonen.
De lijst oorzaken bij 'leeftijd' is gemiddeld ook vaker van toepassing op jonge allochtonen.
Allochtone (etnische) groepen blijken relatief ondervertegenwoordigd te zijn in sommige delicten zoals witteboordencriminaliteit en discriminerend gedrag, maar oververtegen-woordigd in andere delicten, zoals diefstal en drugscriminaliteit.

- Woonomgeving: Er bestaat een duidelijke relatie tussen verstedelijking en het criminaliteitscijfer. Inwoners van grote steden plegen vaker delicten dan inwoners van dorpen of kleine steden.
;