87 terms

MW Inl., Hoofdstuk 2: Benaderingswijzen van maatschappijwetenschappen

H.M.J. Francort, Actua.ml, havo en vwo, "Maatschappijwetenschappen, een inleiding", uitgave juni 2010, ISBN 978 9075 982503
STUDY
PLAY
maatschappelijke problemen
problemen die gevolgen hebben voor grote groepen mensen in de samenleving en waarbij belangentegenstellingen en rol spelen
belangentegenstellingen
diverse groepen streven verschillende belangen na
dynamische samenleving
een samenleving die snel verandert
statische samenleving
een samenleving die voornamelijk hetzelfde blijft en niet verandert
poldermodel
onderhandelen en geven en nemen
waarden
algemene en gezamenlijke opvattingen en voorstellingen binnen een maatschappij of groepering omtrent hetgeen geod, correct en daarom waar om na te streven is
normen
wetten, regels en gewoonten waarvan met aanneemt dat mensen zich eraan houden
acculturatie
enkelingen of groepen gaan culturele einenschappen overnemen van andere culturen als ze er mee in aanraking komen
assimilatie
nieuwkomers in een nieuwe cultuur nemen de dominante cultuur over
beeldvorming
het beeld dat je van iemand of groepen mensen krijgt; je 'plakt' iemand of groepen mensen een bepaald etiket op; je dicht iemand of zo'n groep bepaalde eigenschappen toe; vaak delen we mensen in groepen (hokjes) in; we noemen dit ook wel sociale categorisatie. Beeldvorming is vaak vereenvoudigd; het leidt tot generalisering; dat noem je dan stereotypering
censuur
het toezicht van een overheid op voor publicatie bestemde drukwerken en omroepprogramma's
cultureel kapitaal
taalgebruik, voorkeuren op het gebied van levensstijl, eetpatroon en vakanties; kinderen van de midden- en hoge sociale klassen krijgen meer 'culturele bagage' mee van hun ouders dan kinderen uit de lagere sociale klasse; de ouders van de midden- en hoge sociale klassen hebben zelf een hoge opleiding genoten (of beschikken over voldoende geld) en dit dragen ze over op hun kindelen; bij de ouders van de kinderen van de lage sociale klasse is dit minder het geval
cultureel relativisme
het volstrekt neutraal kijken naar andere culturen zonder de eigen 'westerse bril' te hanteren; vaak bekijken we een andere cultuur vanuit ons eigen waarden- en normenpatroon en spreken dan over die cultuur een (meestal negatief) oordeel uit; cultureel relativisten spreken derhalve niet graag een oordeel uit over een andere cultuur
cultureel universalisme
bij het bekijken/beoordelen van andere culturen zijn er algemene waarden die als uitgangspunt zouden moeten dienen voor het handelen van iedereen; deze algemene waarden dienen voor het hoofdzakelijk gebaseerd te zijn op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Cultureel universalisten nemen een duidelijke stelling in
cultuur
alles wat geen 'zuivere' natuur meer is, met andere woorden alles wat de mens aan de natuurlijke omstandigheden verandert; concreter gezegd: de leefwijze van een bevolking of bevolkingsgroep met de eigen voorstellingen, gewoontes, tradities, rituelen, symbolen, opvattingen en waarden (datgene wat we nastreven en dus waardevol vinden) en normen (regels waarvan we uitgaan dat mensen er zich aan houden); cultuur is een breed begrip
democratisering
hierin zit het woord democratie; demos is het Griekse woord voor 'volk' en 'kratos' betekent 'meer macht'; democratie betekent dus dat het volk meer macht (inspraak) krijgt; democratisering van de samenleving houdt in dat de afstand tussen rangen en standen (sociale hiërarchie) vermindert
deviant gedrag
afwijkend gedrag; gedrag dat afwijkt van de belangrijkste waarden en normen van de dominante (overheersende) cultuur
discriminatie
het ten onrechte onderscheid maken tussen mensen op verkeerde gronden; vaak zit er de bedoeling achter de ene groep te bevoordelen boven en vaak ten koste van anderen (discriminatie van zwarten, vrouwen, homo's enz.)
dominante cultuur
grotere cultuur, die de meeste invloed op de samenleving uitoefent; vaak is het de cultuur die door de meeste mensen aangehangen wordt of de cultuur van een minderheid die aan de meerderheid wordt opgedrongen
emancipatie
het op gelijke hoogte komen met andere mensen: gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijkwaardigheid verkrijgen; vrouwenemancipatie (feminisme) houdt in dat vrouwen in de samenleving dezelfde rechten en mogelijkheden krijgen als mannen
etnocentrisme
het beoordelen van andere mensen naar de waarden en normen van je eigen samenleving; mensen uit andere culturen vinde we daarom vaak minderwaardig aan mensen uit onze eigen cultuur
globalisering/internationalisering
het steeds meer sprake zijn van toenemende banden en wederzijdse afhankelijkheid tussen samenlevingen over de hele wereld; de wereld wordt steeds meer een 'global village' (groot dorp)
identiteit
hekenbaarheid; voorbeeld: culturele identiteit wil zeggen dat moslims een duidelijke culturele herkenbaarheid hebben (gekoof, tradities, gebruiken, kunst ez.); de kranten in Nederland hebben ook een bepaalde identiteit; deze is in het redactiestatuut opgenomen; het betreft dan meer de uitgangspunten (politieke kleur of religieuze geaardheid) van de krant
ideologie
samenhangend geheel van normatieve uitspraken over mens en maatschappij, waarmee een persoon of groepering zijn positie en zijn beleid bepaalt en rechtvaardigt
individualisering
het steeds meer nadruk leggen op het individu. In onze Nederlandse samenleving denken mensen veelal eerst aan zichzelf. Zo handelen ze ook. Het belang van de eenling gaat voor het belang van de groep.
informatiemaatschappij
maatschappij waarbij door allerlei technische ontwikkelingen (vooral op computergebied met internet) steeds meer de mogelijkheid ontstaat informatie te verzamelen, te bewerken en door te geven. Via de massamedia en informatiebronnen krijgen we vaak zoveel informatie dat we het helemaal niet meer gesstelijk kunnen verwerken. We spreken in dat geval van informatieblindgang.
integratie
personen of groepen zijn geïntegreerd wanneer er sprake is van gelijke juridische positie, gelijkwaardige deelname op sociaal-economische gebied, kennis van de Nederlandse taal en de gangbare waarden, normen en gedragspatronen worden gerespecteerd
internalisatie
het bewust aanvaarden en naleven van regels, waarden en normen. Ze worden je niet meer van buitenaf aangeraden of opgelegd maar je laat uit innerlijke overtuiging je denken en doen er door leiden
klassieke grondrechten
rechten die de vrijheidssfeer van individuen beogen te waarborgen tegen inbreuken van de zijde van de overheid
sociale grondrechten
deze rechten geven burgers en groepen aanspraak op overheidsbemoeienis in de maatschappij
manipulatie
het op een 'handige' manier de mening van andere mensn beïnvloeden zonder dat ze er erg in hebben. Het publiek krijgt bij manipulatie op een slinkse wijze vervormde informatie over een bepaalde zaak aangereikt, waarbij opzettelijk feiten zijn verdraaid
marktdenken
opvatting dat een economie het beste floreert als er sprake is van een zo terguhoudend mogelijke overheid. Deze moet niet te veel ingrijpen in het economisch proces. Er is sprake van economische vrijheid van productie en consumptie waar de overheid randvoorwaarden bij creëert. Winst voor de investerende burger die bereid is risico's te nemen, staat voorop. In een land waar het marktdenken centraal staat, denkt men eerst aan de economische consequenties en dan aan de rest.
massacommunicatie
vorm van communicatie waarbij boodschappen openbaar door technische verspreidingsmiddelen (massamedia) indirect en eenzijdig aan een 'verspreid publiek' worden overgebracht.
massamedia
communicatiemiddelen waarmee een groot aantal mensen kan worden bereikt zoals radia, televisie, kranten, boeken, films, folders, affiches, maar ook nieuwe informatiebronnen zoals CD-roms, disketters en internet. De massamedia hebben de intentie informatie over te brengen aan een groot en anoniem publiek. De informatie is voor iedereen toegankelijk.
mediaframe
berichtgeving over een onderwerp vanuit hetzelfde perspectief
mediahype
nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen
medialogica
het publieke debat wordt deels bepaald door de mogelijkheden en de begrenzingen van het medium
mediatisering
de invloed van de media op de samenleving wordt steeds groter
mensenrechten/grondrechten
onvervreembare rechten, dus rechten die niemand van hen mag afnemen. Uitgangsrpunt voor de grondrechten van landen is de in 1791 door Frankrijk opgestelde 'Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger'. In de Nederlands e grondwet saatn de zogenaamde klassiek grondrechten (erg belangrijke en fundamentele rechten) zoals o.a. recht op persoonlijke vrijheid, vrijheid van vereniging en vergadering, bescherming van het particulier eigendom, vriheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Daarnaast bestaan er ook de zogenaamde sociale grondrechten (rechten die betrekking hebben op de zorggebieden van de overheid) zoals o.a. het recht op arbeid, recht op gunstige arbeidsomstandigheden en het recht deel te nemen aan het culturele leven.
minderheidsvorming
groepen in een samenleving die zich benadeeld of zelfs gediscrimineerd voelen, vormen een hechte minderheid ten opzichte van dee meerderheid. Buitenlanders die gediscrimineerd worden, hebben er behoefte aan hun eigen culturele identiteit te versterken. Men vormt een soor ingroup (groep die alles goed doet en goed ziet). De meerderheid vormt voor hen de outgroup (groep die alles verkeerd doet en ziet).
multiculturele samenleving
deze term heeft twee betekenissen: feitelijke situatie van een samenleving waarin duidelijk merkbare etnische groepen leven (multi-etnische samenleving). Er is geen sprake van échte gelijke kansen. De tweede betekenis is de normatieve opvatting: een samenleving waarin verschillende etnische groeperingen gelijke kansen hebben op sociale, economische en politieke posities, terwijl zij hun culturele identiteit niet opgeven, ook al zal die (sub)cultuur veranderen als gevolg van de veranderende maatschappelijke omstandigheden. In deze laatste betekenis heeft iedereen ds écht gelijke kansen.
nature-nurture-debat
debat tussen wetenschappers waarin de vraag centraal staat of menselijk gedrag meer is aangeboren of meer is aangeleerd. Natur-aanhangers stellen biologische of genetische factoren centraal. Veel dingen zijn vanaf de geboorte bepaald. Emoties of driften zijn biologisch bepaald. Nurture-aanhangers stellen dat het de omgeving, het milieu en de cultuur zijn die bepalen hoe mensen handelen. Maatschappelijke factoren (gezin, school, groepsgedrag, milieu)bepalen het gedrag van de mens.
norm
verwachting over het gedrag van anderen. Een regel waarvan we verwachten dat men zich er aan houdt. In een samenleving weten we ongeveer wat we van elkaar mogen verwachten. Mensen houden zich aan de algemeen geldende gebruiken en normen. Degenen die zich afwijkend of zeer afwijkend gedragen, handelen niet naar de normen.
objectiviteit
onpartijdigheid. Mensen bekijken een zaak objectief als ze zich niet door hun eigen voorkeur laten beïnvloeden. Het tegenovergestelde van objectiviteit is subjectiviteit.
ontkerkelijking
het zich vervreemden van de kerk als instelling. Mensen voelen zich minder gebonden aan de kerk. Het kerkbezoek daalt en daarmee ook de invloed van de geestelijkheid. Dit proces begon in Nederland in de jaren '60 van de vorige eeuw en zette zich in de jaren '70 en daarna met kracht door.
onzuilingen
het loslaten van de band tussen de mens en een levensbescouwelijke of politieke zuil. Ontzuiling is het tegenovergestelde van verzuiling (opdelen van de samenleving in levensbeschouwelijke of politieke zuilen; katholieke, protestants-christelijke, socialistische of liberale zuil.
pluriforme samenleving
een zeer divers samensgetelde samenleving; een samenleving waarin vrschillende culturen voorkomen.
pluriformiteit
veelvormigheid, verscheidenheid. De Nederlandse kranten zijn pluriform omdat er veel kranten zijn met andere uitgangspunten en zienswijzen. De Nederlandse samenleving is ook pluriform van karakter. Ze is zeer divers. Er leven steeds meer mensen in Nederland wiens wortels niet in Nederland liggen. We spreken in dit geval ook wel van een multiculturele samenleving.
politieke stroming
verzemeling mensen die hetzelfde denkt over bepaalde zaken. De mensen in een politieke stroming denken meestal vanuit een zelfde denkkader en zijn het over een bepaalde ideologie eens. De belangrijkste politieke stromingen in Nederland zijn het socialisme (sociaal-democratie), liberalisme en confessionalisme (christen-democratie). Daarnaas kennen we nog een kleinere pragmatische en een ecologische stroming.
referentiekader
het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaring. Mensen refereren aan iets. Ze spiegelen zich aan anderen en laten zich bij hun handelen en denken leiden door iets, iemand of anderen.
rol
een meer of minder bindende verwachting ten aanzien van het gedrag van de positiebekleder
rolpatronen
de rol die iemand in de samenleving op een bepaald moment in een bepaalde situatie vervult. Bij een rolpatroon gedragen mensen zich op een bepaalde manier.
secularisering
verwereldlijking. Godsdienstige zaken worden steeds minder belangrijk. Het is de overheid die deze zaken naar zich toe trekt.
selectieve perceptie
waarnemen wat ons vooral goed uitkomt en wat past in ons referentiekader, en bij onze normen, waarden, ervaringen en onze kennis.
self-fulfilling prophecy
een aanvankelijk onjuiste definitie (inschatting) van de situatie die mensen ertoe brengt zich daarnaar te gaan gedragen, waardoor die eerdere onjuiste definitie van de situatie tenslotten juist wordt
sociale cohesie
samenhang van een groepering door saamhorigheid van de leden, gemeten aan de mate waarin de leden de grenzen van de groepering willen handhaven; verbondenheid met de samenleving en tussen mensen onderling
sociale controle
het middel waarmee mensen of groepen mensen in de maatschappij andere mensen zo onder druk zetten dat ze zich aan de algemeen geldende normen houden
socialisatie
het proces waarbij de waarden, normen, regels, gewoonten, tradities en andere cultuurwaarden van een samenleving worden overgedragen op anderen. Socialisatie is altijd als het ware behoudend van aard, want kinderen moeten de waarden en normen van hun ouders overnemen. Dit leidt tot de instandhouding en continuering van de cultuur.
socialisatoren
instituties waarmee de socialisatie (cultuuroverdracht) in een samenleving plaatsvindt. Je moet hierbij denken aan het gezin, de school, media, overheid, werkplek, kerkgenootschappen, vakbonden, maatschappelijke groeperingen en sportverenigingen.
stereotype(ring)
een generalisatie van een groep mensen, die meestal gebaseerd is op een vooroordeel. Een vooroordeel is een emotioneel geladen oordeel over een persoon of groep dat niet in overeenstemming is met de werkelijkheid.
subcultuur
onderdeel van de grotere, dominante (overheersende) cultuur. Naast overeenkomsten met de dominante cultuur zijn er ook waarden, normen, en andere cultuurkenmerken die afwijken van de dominante cultuur op bepaalde fronten. Bijvoorbeeld bepaalde jongeren vormen een subcultuur omdat ze zich met een bepaald soort kleding en muziek van anderen onderscheiden binnen de dominante cultuur.
subjectiviteit
partijdigheid. Mensen bekijken een zaak subjectief als ze zich door hun eigen voorkeur laten beïnvloeden.
verzuiling
het uiteenvallen van de Nederlandse samenleving in levnsbeschouwelijke of politieke zuilen: katholieke, protestants-christelijke, socialistische en liberale zuil.
vooroordeel
emotioneel geladen oordeel over een persoon of een groep dat niet in overeenstemming met de werkelijkheid is. Je hebt een bepaald beeld van een persoon maar als je hem of haar ontmoet, blijkt dit beeld (vooroordeel) niet te kloppen.
waarde
zaken die mensen het nastreven waard en waardevol vinden. Bijvoorbeeld: eerlijkheid, trouw, dienstbaarheid, enz. Waarden hebben alles te maken met de cultuur van een volk.
arbeidmarkt
de plaats waar werknemers hun arbeid aanbieden aan werkgevers
arbeidsverdeling
het verdelen van de in de maaschappij te verrichten arbeidstaken over individuen en groepen mensen. De arbeidsverdeling valt te verdelen in een maatschappelijke en een technische. Bij de maatschappelijke wordt het hele productieproces opgedeeld in verschillende beroepen en functies. Bij de technische arbeidsverdeling wordt het productieproces in een bedrijf of instelling opgedeeld in diverse deelhandelingen.
arbeidverhoudingen
de sociale verhoudingen binnen het bedrijf, zowel dussen afdelingshoofden en medewerkers als onderling tussen medewerkers, de inspraak en medezeggenschap zowel op het niveau van de afdeling als op dat van de onderneming als geheel en de collectieve arbeidsverhoudingen tussen vakbonden en onderneming.
belang
aandeel dat mensen in iets hebben. In het maatschappelijk proces en in de politiek bij het opstellen van wetten hebben mensen altijd verschillende belangen. Werkgevers betalen het liefst lage lonen; werknemers hebben het liefst hoge lonen. In dit voorbeeld is er sprake van tegengestelde belangen. Politici moeten de uiteenlopende belangen van mensen, groepen en bedrijven altijd goed tegen elkaar afwegen.
belangenorganisatie
organisatie die de belangen van bepaalde groepen mensen vertegenwoordigt en behartigt (werkgevers, werknemers, ANWB, Consumentenbond). Belangenorganisaties zijn veelal professioneel georganiseerd. Dit in tegenstelling tot actiegroepen. De laatste zetten zich gedurende een bepaalde tijd in voor een bepaald belang.
collectieve goedern
goederen en diensten die van belang zijn voor alle burgers. Zaken die van algemeen belang zijn (openbaar bestuur, sociale voorzieningen, infrastructuur, onderwijs, enz.)
commercialisering
in de hele maatschappij staat winst voorop
duurzame ontwikkeling
een economisch systeem waarbij de sociale en economische ontwikkeling zodanig gestalte krijgt, dat aan de behoefte van mensen kan worden voldaan, zonder dat daarbij afbreuk wodt gedaan aan de behoeften van toekomstige generaties
gemengde economie
een economische systeem waarbij naast de consumenten en producenten de overheid een belangrijke rol speelt. Nederland kent een gemengde economie: er is productie- en consumptievrijheid, maar de overheid stelt de economische randvoorwaarden op. De gemengde economie noemt men ook wel georiënteerde marktseconomie. Ze is een tussenvorm tussen de vrijemarktseconomie (wisselwerking tussen vraag en aanbod bepaalt de prijzen van de producten) en planeconomie (de staat bepaalt en plant alles op economisch en andere gebieden).
klasse
een sociale klasse is een maatschappelijke laag in de samenleving
maatschappelijke/sociale ongelijkheid
in de samenleving hebben bepaalde sociale klassen (groep mensen die in de maatschappij ongeveer dezelfde positie innemen) een betere toegang tot materiële en immateriële zaken dan andere sociale klassen. Hoogopgeleiden weten beter de weg te vinden in een maatschappij dan lager opgeleiden.
maatschappelijke positie
de plaats die je op grond van je maatschappelijke positie inneemt op de maatschappelijke ladder. In de samenleving is er sprake van een gelaagdheid (sociale stratificatie). De samenleving wordt verdeeld in een aantal lagen of sociale klassen. De laagste klasse (onderklasse) wordt gevromd door mensen met een zeer laag inkomen en de hoogste klasse (bovenlaag) zijn de kapitaalbezitters en topbestuurders van grote ondernemingen.
marktmechanisme
proces waarbij een zeker evenwicht tussen vraag en aanbod van producten tot stand komt waardoor bepaalde prijzen gaan gelden die een evenwicht garanderen. Het marktmechanisme doet zich voor in een vrije markteconomie (vrijheid van productie, vrijheid van consumptie, overheid mag niet ingrijpen en vrije concurrentie).
particulier initiatief
de burgers nemen zelf initiatieven en getroosten zich inspanningen. De staat moet niet de intitiatieven nemen, maar juist de burgers. Burgers die zelf initiatieven nemen, zijn beter gemotiveerd en hun inspanningen leiden dan vaker tot succes. Deze zienswijze geldt vooral voor liberalen. De burgers steken geld in een bedrijf en nemen daarbij risico's. De winst voor de burger is de drijfveer achter de economie.
planeconomie
een economie waarin de staat het economisch proces volledig bepaalt. De staat neemt het initiatief en bepaalt de hoogte van de prijzen van productie en lonen. Enige vorm van particulier initiatief ontbreekt. Er is geen vrijheid van productie en consumptie van goederen. Dit economisch systeem kwam vóór de val van de Muur voor in Oost-Europese (communistische) landen.
post-industriële maatschappij/informatiemaatschappij
dit begrip kan op twee manieren worden uitgelegd: - een maatschappij waarin sprake is van een technologisch hoogontwikkelde samenleving die met behulp van moderne informatie- en communicatietechnieken een grote toename laat zien van de informatieproductie en van de productiviteit in zijn algemeenheid. Deze definitie van informatiemaatschappij is de meest voorkomende. - een maatschappij waarin de meeste mensen werken in de tertiaire en quartaire sector.
privatisering
taken van de rijksoverheid worden overgenomen dor het particulier initiatief
sociale mobiliteit
de mogelijkheid om te stijgen of te dalen op de maatschappelijke ladder (van de ene sociale klasse naar de andere). In Nederland kunnen mensen uit de lagere sociale klassen zich opwerken naar een hogere sociale klasse. In India is er sprake van een kastenmaatschappij. In zo'n samenleving kun je niet uit je sociale klasse komen. Eenmaal arm, altijd arm.
sociale stratificatie
het opdelen van de samenleving is sociale lagen (sociale klassen). Grofweg zuden we in de Nederlandse samnleving drie sociale klassen kunnen onderscheiden:
- lagere sociale klasse: mensen met een laag inkomen en weinig inkomen;
- middenklasse: mensen met een hoger inkomen en een hoge opleiding en
- de hoge sociale klasse: mensen met een zeer hoog inkomen en een hoge opleiding en veel macht.
sociale/maatschappelijke structuur
vast regels, volgens steeds werkende patronen. Op elk moment van de dag hoeven we niet te denken: wat moeten we nu weer doen? Veel zaken die we moeten doen liggen al vast binnen bepaalde patronen. (Een dag is meestal niet zo verrassend in dat opzicht. Veel van wat we nu doen is meestal routinewer, dat steeds terugkomt.)
vrije markteconomie
er is sprake van een wisselwerking tussen vraag en aanbod die de prijs van een product bepaalt. Als er weinig van een bepaald product is, zal de prijs hoog zijn. Zijn er veel van een product, zal de prijs lager zijn. In de vrije markteconomie zijn het de burgers die met hun eigen geld risico's nemen en geld investeren in bedrijven. De staat stelt zich zeer terughoudend op. De eventuele winst voor de burgers motiveert hen tot investeringen.
vrije ondernemingsgewijze productie
dit is de manier van produceren in de vrije markteconomie. Er is sprake van vrijheid van productie, consumptie, geen overheidsbemoeienis in het economisch proces en vrije concurrentie.