83 terms

Economie Kader alle begrippen

STUDY
PLAY
Afschrijving
Het bedrag dat de jaarlijkse waardevermindering van een kapitaalgoed aangeeft.
Afzet
Het aantal producten dat een bedrijf verkoopt.
Arbeidsdeelname
Het percentage van de bevolking dat tot de beroepsbevolking hoort.
Arbeidsproductiviteit
De productie per persoon in een bepaalde tijd.
AVP
Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren. De AVP dekt de schade die je zonder opzet aan iedereen toebrengt.
Basisbehoeften
De behoefte aan eten en drinken, onderdak en kleding.
Begroting
Een overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven voor de komende tijd.
Beleggen
Je koopt bijvoorbeeld aandelen in een bedrijf en krijgt ieder jaar een stukje van de winst van dat bedrijf. Het kan meer opleveren dan sparen maar je kunt er ook veel geld mee verliezen.
Beroepsbevolking
Alle mensen tussen de 15 en 65 jaar die werken of actief op zoek zijn naar werk voor minstens 12 uur per week.
Betalingsbalans
Een overzicht van alle ontvangsten uit het buitenland en betalingen aan het buitenland. De handels- en dienstenbalans zijn daar een onderdeel.
Bonus-malusladder
Een overzicht van de bonus of korting die je krijgt als je geen schade claimt en de malus of toeslag als je te vaak schade claimt.
Brutowinst
Het verschil tussen de omzet en de inkoopwaarde.
Budgetteren
Je uitgaven afstemmen op je inkomsten.
Cascoverzekering
Een verzekering die schade vergoedt die je zelf veroorzaakt aan je eigen motorvoertuig.
Commerciële reclame
Reclame die bedoelt is om je te verleiden tot een aankoop.
Conjuncturele werkloosheid
Werkloosheid die het gevolg is van een daling van de vraag naar goederen en diensten, doordat het minder goed met de economie gaat.
Consumentenorganisaties
Organisaties die opkomen voor de belangen van de consument.
Consumentenprijs
De verkoopprijs inclusief btw.
Consumer power
De macht van de gezamenlijke consumenten om de producten te dwingen rekening te houden met wat zij willen.
Dagelijkse uitgaven
Gewone uitgaven die je bijna iedere dag doet voor bijvoorbeeld het huishouden.
Directe ruil
De ruilen van producten zonder gebruik te maken van geld.
Eigen risico
Deel van de schade dat de verzekeraar niet vergoedt, maar dat de verzekerde zelf betaalt.
EMU (Europese Monetaire Unie)
Groep landen binnen de EU met een gemeenschappelijke munt, de euro.
Fairtrade
Handel waarbij producenten in ontwikkelingslanden een eerlijke prijs voor hun producten krijgen.
Frictiewerkloosheid
Nadat je ontslagen bent, heb je even tijd nodig om een nieuwe, passende baan te vinden.
Functies van geld
Ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel
Geregistreerde werkloosheid
Werklozen die ingeschreven staan bij het UWV.
Geschillencommissie
Instelling die bij conflicten tussen een consument en een leverancier een bindende uitspraak doet.
Handelsbalans (of goederenbalans)
Een overzicht van de exportwaarde en de importwaarde van goederen.
Harmonisatie
Binnen de EU worden regels voor alle lidstaten steeds meer gelijk getrokken om te zorgen voor eerlijke concurrentie tussen de landen. Dat gebeurt bijvoorbeeld met btw-tarieven of milieuregels.
Huurtoeslag
Bijdrage van de overheid waarmee je een deel van de huur van je woning kunt betalen.
Hypothecaire lening
Lening waarbij iemand een huis of een stuk grond als onderpand geeft.
Ideële reclame
Reclame die als doel heeft de opvatting van mensen te beïnvloeden.
Inboedelverzekering
Verzekering die de schade dekt die je door brand, inbraak of wateroverlast hebt aan de spullen in je huis.
Incidentele uitgaven
Uitgaven die maar af en toe voorkomen, bijvoorbeeld voor kleding. Ook grote of onverwachte uitgaven horen hierbij.
Indirecte ruil
Producten ruilen tegen geld en dat geld weer ruilen tegen goederen.
Inflatie
Een algemene stijging van de prijzen.
Inkomensafhankelijke premie
Een premie voor de zorgkosten die een percentage is van je loon.
Inkomensvormen
Inkomen uit arbeid, inkomen uit bezit en overdrachtsinkomen
Internationale arbeidsverdeling
Landen verkopen goederen of diensten die zij het beste kunnen produceren vanwege de goede kwaliteit en/of lage prijs.
Internationale concurrentiepositie
Hoe je als land met andere landen kunt concurreren door producten te leveren van een goede kwaliteit of tegen een lage prijs.
Keurmerk
Een product met een keurmerk geeft je de zekerheid dat het aan bepaalde eisen voldoet.
Lenen
Gebruik maken van het geld van iemand anders.
Marketing
Alles wat een bedrijf doet om producten en diensten zo goed mogelijk te verkopen.
Marktaandeel
Het marktaandeel van een bedrijf is de afzet (of de omzet) van het bedrijf uitgedrukt als percentage van de totale afzet (of omzet) van de productgroep.
Mechanisatie
Als lichamelijke arbeid wordt vervangen door machines.
Middelen
Alles waarmee je in je behoeften kunt voorzien, zoals geld, bezittingen en tijd.
Milieu keurmerk
Een keurmerk dat de zekerheid geeft dat een bepaald product beter is voor het milieu dan andere producten.
Milieubewust gedrag
In je consumentengedrag houd je rekening met de gevolgen voor het milieu.
Milieuorganisaties
Instellingen die aandacht vestigen op milieuproblemen of proberen het milieubeleid van de overheid te beïnvloeden.
Monocultuur
Een land dat afhankelijk is van de opbrengst van één of enkele landbouwproducten.
Nationaal inkomen
Het totaal van de inkomens van alle inwoners van een land.
Nettopremie
De premie die je uiteindelijk betaalt na aftrek van korting.
Nettoresultaat
Het is de brutowinst minus de bedrijfskosten.
No-claimkorting
Korting die je in het volgende verzekeringsjaar krijgt op de premie als je geen schade claimt.
Nominale premie
Een premie voor de zorgverzekering die in euro's is vastgesteld.
Noodhulp
Hulp die gegeven wordt bij rampen om mensen te helpen overleven. Deze hulp is gericht op de korte termijn.
Omzet
De omzet is de geldopbrengst van de verkochte producten.
Ontwikkelingssamenwerking
Samenwerking van rijke landen en ontwikkelingslanden om de welvaart in ontwikkelingslanden duurzaam te vergroten.
Onzeker voorval
Een gebeurtenis waarvan je niet weet wannéér en óf die ooit zal plaatsvinden.
Opstalverzekering
Verzekering voor brand- of stormschade aan het huis zelf.
Overige behoeften
Niet nodige of luxe behoeften.
Polis
Het schriftelijk bewijs van een verzekeringsovereenkomst met alle rechten en plichten voor de verzekerde en verzekeraar.
Premie
Het bedrag dat de verzekerde betaalt aan de verzekeraar om verzekerd te zijn.
Productiecapaciteit
De hoeveelheid producten die een bedrijf kan maken.
Protectiemaatregelen
Maatregelen waarmee de overheid de invoer belemmert of voordeeltjes geeft aan exportbedrijven, om daarmee de productie en werkgelegenheid in eigen land te beschermen tegen concurrentie uit het buitenland.
Provisie
Kosten die je aan de bank betaalt bij het omwisselen van vreemd geld.
Reisverzekering
Een verzekering tegen de schade die je tijdens een reis kunt oplopen.
Rente
Vergoeding voor iemand die zijn geld beschikbaar stelt.
Reserveren
Geld opzij zetten voor later om grote of onverwachte uitgaven te kunnen betalen.
Ruilvoet
De verhouding tussen de prijs van exportproducten en de prijs van importproducten.
Schaarse goederen
Een goed is schaars als je middelen moet inzetten om het in handen te krijgen.
Seizoenswerkloosheid
Werkloosheid die ontstaat doordat bepaald werk slechts gedurende een deel van het jaar verricht kan worden.
UWV
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Vaste lasten
Uitgaven die iedere maand of kwartaal terugkomen.
Vaste lasten
Uitgaven die iedere maand of kwartaal terugkomen.
Verzekeringsvoorwaarden
De rechten en plichten van de verzekerde en de verzekeraar.
Vrije goederen
Goederen die vrij beschikbaar zijn en waar je niet voor hoeft te betalen.
WA-verzekering
Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekering die de schade dekt die je met je motorvoertuig aan anderen toebrengt. Deze is wettelijk verplicht.
Woningmarkt
Alle vraag naar en aanbod van woningen.
Zelfvoorziening
Je produceert zelf wat je voor eigen verbruik nodig hebt.
Zorgtoeslag
Een bijdrage van de overheid waarmee je een deel van de premie van een zorgverzekering kunt betalen.
Zorgverzekering
Een verzekering die de kosten vergoedt voor de gezondheidszorg, zoals de kosten van huisarts, ziekenhuis of apotheek.