Frans hoofdstuk 5

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

bellen
appeler
lenen aan
prêter
bewegen
bouger
dragen
porter
uitnodigen
inviter
ontmoeten
rencontrer
herhalen
répéter
de lengte, de maat
la taille
de kleding
les vêtements
de (zonne)bril
les lunettes (de soleil)
de oren
les oreilles
de glimlach
le sourire
het uiterlijk
le physique
de beugel
l'appareil dentaire
rood(harig)
roux, rousse
bruin
marron
gekruld
frisé(e)
mager
maigre
dik
gros(se)
knap
mignon(ne)
slecht
mauvais(e)
het einde
la fin
de droom
le rêve
de herinnering
le souvenir
de uitnodiging
l'invitation
het geluk
la chance
beroemd
célèbre
belachelijk
ridicule
verlegen
timide
(on)eerlijk
(mal)honnête
streng
sévère
gemeen
méchant(e)
lui
paresseux (-euse)
verliefd
amoureux (-euse)
(in)vullen
remplir
eindigen
finir
groeien
grandir
blozen
rougir
nadenken
réfléchir
kiezen
choisir
slagen
réussir
worden
devenir
tijdens
pendant
vervolgens
puis
elk(e), ieder(e)
chaque
want
car
volgend(e)
prochain(e)
ik weet het niet
je ne sais pas
ik begrijp het
je comprends