34 terms

Frans Unité 13

STUDY
PLAY
un animal
een dier
des animaux
dieren
un chat
een kat
un chien
een hond
un lapin
een konijn
un oiseau
een vogel
des oiseaux
vogels
un poisson
een vis
des grands-parents
grootouders
un âge
een leeftijd
Tu as quel âge ?
Hoe oud ben je ?
un an
een jaar
J'ai onze ans
Ik ben 11 jaar
Il a déjà 16 ans
Hij is al 16 jaar
chez nous
bij ons thuis
chez vous
bij jullie thuis
une photo
een foto
septante
zeventig
quatre-vingts
tachtig
nonante
negentig
cent
honderd
tes copains
jouw vrienden
mes soeurs
mijn zussen
mes frères
mijn broers
ses soeurs
zijn / haar zussen
ses frères
zijn / haar broers
tes copines
jouw vriendinnen
Nous avons un jeu
Wij hebben een spel
Vous avez un DVD
Jullie hebben een DVD
Ils ont un chien
Zij (m) hebben een hond
Elles ont un chat
Zij (v) hebben een kat
Je n'ai pas de chien
Ik heb geen hond
Elle n'a pas de soeur
Zij heeft geen zus
Nous n'avons pas d'enfants
Wij hebben geen kinderen