Geschiedenis Kenmerkende Aspecten alles

4.8 (59 reviews)
Get a hint
De levenswijze van jagers-verzamelaars
Click the card to flip 👆
1 / 49
1 / 49
Terms in this set (49)
De levenswijze van jagers-verzamelaars
(1. Tijd van jagers en boeren) Tienduizenden jaren ha de mensheid een (meestal nomadische) levenswijze waarbij voedsel werd verkregen door jagen, vissen en het verzamelen van zaden, noten en vruchten
Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen (landbouwrevolutie)
(1. Tijd van jagers en boeren) Vanaf 10.000 v.C. ontstond de landbouw. Boeren vestigden zich op vaste woonplaatsen, waar ze gewassen verbouwden en vee hielden.
Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen (eerste steden)
(1. Tijd van jagers en boeren) Zodra de landbouw voldoende opbracht, konden sommigen zich specialiseren in handel, ambacht of bestuur en godsdienst. Zij vestigden zich in ommuurde nederzettingen.
De ontwikkeling va nwetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekste stadstaat (Griekse denken)
(2. Tijd van Grieken en Romeinen) In de Griekse stadstaten ontstonden bestuursvormen als aristocratie, monarchie en democratie. Filosofen discussieerden over de beste bestuursvorm en dachten als eersten op een wetenschappelijke manier na over de natuur en de mens.
De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
(2. Tijd van Grieken en Romeinen) De Grieken en Romeinen ontwikkelden in de bouwkunst en beeldhouwkunst een cultuur die maatgevend werd voor de latere westerse beschaving
De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde
(2. Tijd van Grieken en Romeinen) Het Romeinse rijk breidde zich uit over Klein-Azië, het Midden-Oosten, Noord0Afrika en grote delen van Europa, waardoor de Grieks-Romeinse cultuur daar overheersend werd
De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa
(2. Tijd van Grieken en Romeinen) Germaanse stammen ten noorden van het Romeinse rijk voorkwamen een verdere Romeinse opmars. Later drongen Germaanse stammen het Romeinse rijk binnen. Ze namen de Grieks-Romeinse cultuur gedeeltelijk over.
De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als eerste monotheïstische godsdiensten
(2. Tijd van Grieken en Romeinen) De joden geloofden als eersten in slechts één god. Eeuwen v.C. legde Mozes de joodse wetten vast. Het christendom ontstond als stroming binnen het jodendom en groeide uit tot belangrijkste godsdienst in het Romeinse rijk. In de 4e eeuw werd het de staatsgodsdienst
De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende argrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid
(3. Tijd van ridders en monniken) In de 5e eeuw ging het westen het Romeinse rijk ten onder. Het stedelijke leven, handel en nijverheid verdwenen. Grootgrondbezitters heersten op zelfvoorzienende domeinen of hoven over horige boeren die hun grond niet mochten verlaten.
Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur (feodalisme)
(3. Tijd van ridders en monniken) Vroegmiddeleeuwse vorsten gaven lagere edelen grond en bescherming in ruil voor een eed van trouw. ze kregen zo een feodale relatie van leenheer en leenman of vazal. In de praktijk gedroegen veel vazallen zich als zelfstandige heersers.
De verspreiding van het christendom in geheel Europa
(3. Tijd van ridders en monniken) Tussen 500-1000 verbreidde het christendom zich in Europa tot ver buiten de grenzen van het vroegere Romeinse rijk. Europa was in de 11e eeuw gekerstend tot en met Ijsland in het noorden, Ierland in het weten en Rusland in het oosten.
Het ontstaan en de verspreiding van de islam
(3. Tijd van ridders en monniken) In de 7e eeuw stichtte de Arabier Mohammed de derde grote monotheïstische godsdienst: de islam. Zijn volgelingen veroverden in de eeuw na zijn dood grote delen van Azië, Noord-Afrika en het Iberisch schiereiland.
De opkomst van handel en ambacht legde de basis voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving
(4. Tijd van steden en staten) Vanaf 1000 bracht de landbouw meer op, waardoor handel en ambacht konden herleven en nieuwe steden konden worden gesticht
De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
(4. Tijd van steden en staten) De steden verwierven van leenheren stadsrecht, eigen rechtspraak en bestuur. De stedelijke burgerij werd dankzij de opkomende geldeconomie een belangrijke machtsfactor.
Het begin van staatsvorming en centralisatie
(4. Tijd van steden en staten) Tussen 1000 en 1500 drongen de Franse en Engelse koning en andere grote vorsten de macht van lagere feodale heren geleidelijk terug. Met steun van de burgerij gingen zij hun gebieden besturen vanuit één centraal punt, een hoofdstad. Zo ontstonden de eerste staten.