37 terms

HV1 - Unit 2 - All phrases

STUDY
PLAY
Wanneer is het?
When is it?
Het is op dinsdag 9 september.
It's on Tuesday, September 9th.
Het is op 6 juli van 5 tot 11.
It's on July 6th from 5 until 11.
Het zal op zaterdag 12 augustus zijn.
It is going to be on Saturday, the 12th of August.
Ik word 14 op 7 oktober.
I'm going to be fourteen on October 7th.
Dit jaar is het van maandag 24 tot woensdag 26 augustus.
This year it is going to be from Monday 24th August to Wednesday 26th August
Het begint om 5 uur 's middags en het gaat door tot 11 uur 's avonds.
It starts at 5pm and it goes on until 11 pm.
Hoe laat is het?
What's the time?
Wanneer begint het?
What time does it start?
Wanneer eindigt het?
When does it end?
Het begint om 8 uur.
It starts at eight o'clock.
Het eindigt om half 11.
It finishes at half past ten.
We kunnen om 6 uur naar jouw huis komen.
We can come to your house at six.
Ik zal op dinsdag om 7 uur klaarstaan.
I will be ready at seven on Tuesday.
Heb je zin om mee te gaan?
Would you like to come with me?
Ik hoop dat je dan geen plannen hebt.
I hope you haven't got any plans then.
Wat denk je van...?
How about...?
Wanneer is het?
When is it?
Tuurlijk, geen probleem!
Sure, no problem!
Ik zou heel graag met je meegaan (naar...)
I'd love to go (to the...) with you.
Waar zullen we afspreken?
Where shall we meet?
Laten we afspreken...
Let's meet at...
Wanneer haal je me op?
When are you going to pick me up?
Het spijt me, maar ik kan niet komen.
I'm really sorry, but I can't come.
Hallo, je spreekt met John.
Hello? John speaking.
Hallo, hoe kan ik je helpen?
Hello, how can I help you?
Kan ik Charlie spreken, alstublieft?
Could I speak to Charlie, please?
Ja, blijf je even aan de lijn?
Yes, could you hang on a moment?
Het spijt me, hij is er niet.
I'm sorry, he isn't in right now.
Kan ik een boodschap aannemen?
Can I take a message?
Mag ik het telefoonnummer, alstublieft?
Can I have a phone number, please?
Ja, het is 0776 1376299.
Yes, it's 0776 1376229.
Ik ga vanavond / morgen / volgende week...
I'm going to... tonight / tomorrow / next week.
Ga je...?
Are you going to...?
We gaan dit niet doen.
We're not going to do this.
Hoe gaan we erheen?
How are we going to get there?
We gaan met de bus.
We can go by bus.