How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

124 terms

Dutch vocabulary, chapter 1

Here is the entire vocabulary from chapter 1 of the (name omitted) course book we're using at UCL.
STUDY
PLAY
een beetje magie
a little magic
belangrijk
important
bij
at/with
een charmante man
a charming man
directeur
director
en
and
een exportbedrijf
an export company
een goed gevoel voor humor
a good sense of humour
een hond
a dog
informatica
information technology
een intelligente vrouw
an intelligent woman
intimiteit
intimacy
jij ook?
you too?
koken
to cook
het leven
life
lezen
to read
een marketingbedrijf
a marketing company
mijn
my
een modebedrijf
a fashion company
muziek
music
reizen
to travel
secretaresse
secretary
een serieuze relatie
a serious relationship
een spontane meid
a spontaneous woman
spontaniteit
spontaneity (informal)
tussen
between
veel
a lot
wat romantiek
a little romance
een andere baan
another job
de bejaarden
old age pensioners
bij een verzekeringsbedrijf
at an insurance company
boodschappen doen
to do the shopping
dat klopt
that's right
ervaring
experience
goed
good/well
hier
here
inderdaad
indeed
jazeker
yes indeed
met
with
momentaal
at the moment
Nederlands
Dutch
nogal actief
quite active
nu
now
op vakantie
on holiday
soms
sometimes
u bent zeker...
i expect you are...
zaken
business
zo raar
so strange
samen
together
Engels
English
altijd
always
leuke kinderen
nice children
stemmen
to vote
een dieet volgen
to be on (follow) a diet
vaak
often
fietsen
to cycle
de afdeling
the department
het artikel
article
echt
really
het functioneringsgesprek
job appraisal
goede communicatieve vaardigheden
good communication skills
het grachtenhuis
a house situated at the side of a canal in a town (usually a very prestigious house
groot
big
hartje
centre
haartstikke
very, really (very informal)
jong, aantrekkelijk, rijk
young, attractive, rich
lief
sweet
met enthousiasme
with enthusiasm
midden in
in the middle
ontzettend
extremely
praten over
to talk about
het vriendje
boyfriend
haar werk
her work
ze is verantwoordelijk voor de administratie
she is responsible for the administration
al
already (for as long as)
pas
only
nog maar
only
accuraat
accurate
enthousiast
enthusiastic
zorgvuldig
conscientious
zelfstanding
independent
bij haar ouders
with her parents
lerares
female teacher
haar man
her husband
rust
peace and quiet
sparen voor een wereldreis
to save up for a trip around the world
weinig
little
zelfverzekerd
confident
charmant
charming
geliefd zijn bij haar leerlingen
popular with her pupils
jong
young
knap
good looking
mooi
beautiful
op een gerenommeerde universiteit werken
working at a renowned university
open
open
spontaan
spontaneous
van avontuur, cultuur en andere vrouwen houden
to like adventure, culture and other women
arrogant
arrogant
brutaal
brazen, bold
populair
popular
bakken
to bake
geven
to give
kleren
clothes
kunt
can
het lied
song
oude
old
het spel
game
versieren
to decorate
verzamelen
to collect
de zaal
hall
aankleding
decoration
de bibliotheek
library
de binnenstad
town centre
de Burcht
fortress
fantasierijk
imaginative
de jeugd
youth
kortom
in short
kriebels voelen
itching to do something
kunstzinnig
artistic
nemen deel aan
to take part in
staat hun te wachten
awaits them
uitbundig
exuberant
verwachten
to expect
zomerkriebels
the summer itch