80 terms

HV1 - Unit 5 - Lesson 1, 2, 3 and 4

STUDY
PLAY
add (to)
toevoegen
bake (to)
bakken
boil (to)
koken
coconut
kokosnoot
cover (to)
bedekken
cream
room
crunchy
knapperig
decorate (to)
versieren
fried
gebakken
greedy
gulzig
recipe
recept
salad
salade
salmon
zalm
savoury
hartig, zout
serve (to)
severen, opdienen
spicy
kruidig, pikant
stall
(markt)kraam
sweet
zoet
taste (to)
proeven
tasty
smakelijk
atmosphere
sfeer
bill
rekening
book (to)
reserveren, bestellen
busy
druk
delicious
heerlijk
dessert
toetje, nagerecht
huge
reusachtig
main course
hoofdgerecht
meal
maaltijd
order (to)
bestellen
organise (to)
organiseren
portion
portie
reservation
reservering
side dish
bijgerecht
starter
voorgerecht
steak
biefstuk
surprise
verrassing
takeaway
afhaalmaaltijd
text (to)
sms'en
waiter
ober
amount
hoeveelheid
blend (to)
mengen
careful
voorzichtig
charity
liefdadigheid, goed doel
crisps
chips
dangerous
gevaarlijk
fast (to)
vasten
generous
gul, vrijgevig
ice cube
ijsklontje
jug
kan
liquid
vloeistof
plan (to)
van plan zijn
plug in (to)
aansluiten, inschakelen
proud
trots
raise money (to)
geld inzamelen
sharp
scherp
slice
plakje, sneetje
starve (to)
verhongeren
switch on (to)
aanzetten, inschakelen
weak
zwak
cancel (to)
afzeggen, afbestellen
chop (to)
fijnhakken, fijnsnijden
curry
kerrieschoten
deliver (to)
bezorgen
dish
gerecht
fork
vork
fridge
koelkast
fry (to)
bakken
frying pan
koekenpan
knife
mes
packet
pak, pakje
pork
varkensvlees
pour (to)
gieten
rice
rijst
saucepan
steelpan
smell (to)
ruiken
spoon
lepel
supper
avondeten
thirsty
dorstig
washing-up
afwas