36 terms

Beaufort 5 - contact 2

STUDY
PLAY
l' école
de school
la gare
het station
le magasin
de winkel
la maison
het huis
aller
gaan
à (--> à la )
naar
au (--> à le wordt au)
naar (le)
alors
dan
avec
met
déjà
nu (al)
daar, hier, er
waar
je vais
ik ga
tu vas
jij gaat
il va
hij gaat
elle va
zij gaat
nous allons
wij gaan
vous allez
jullie gaan
ils vont
zij gaan (m)
elles vont
zij gaan (v)
je
ik
tu
jij, je
il
hij
elle
zij, ze
nous
wij, we
vous
jullie, u
ils
zij, ze
elles
zij, ze
Tu vas où?
Waar ga je naartoe?
Je vais à la gare.
Ik ga naar het station.
Il va où?
Waar gaat hij naartoe?
Il va à la maison.
Hij gaat naar huis.
Elles vont où?
Waar gaan ze naartoe?
Elles vont au magasin.
Ze gaan naar de winkel.
Vous allez où?
Waar gaan jullie naartoe?
Nous allons à l' ècole.
We gaan naar school.
OTHER SETS BY THIS CREATOR

Flickr Creative Commons Images

Some images used in this set are licensed under the Creative Commons through Flickr.com.
Click to see the original works with their full license.