20 terms

Economie klas 4 H1: Hoe consumeer jij? (kader)

STUDY
PLAY
Behoeften
Alles wat je nodig hebt of graag wilt hebben. Je hebt primaire en secundaire behoeften.
Commerciële reclame
Reclame van bedrijven om meer producten of diensten te verkopen.
Consument
Iemand die goederen of diensten koopt om in zijn behoeften te voorzien.
Consumentenorganisaties
Organisaties die opkomen voor de belangen van de consument.
Ideële reclame
Reclame om het sociale gedrag van mensen te veranderen.
Middelen
Alles waarmee je in je behoeften kunt voorzien, zoals tijd en geld.
Schaars
Iets is schaars, als er niet vanzelf, zonder inspanning voldoende van is om alle behoeften te vervullen.
Vergelijkend warenonderzoek
Gelijksoortige producten van verschillende merken testen op onder andere prijs en kwaliteit.
Zelfvoorziening
Je voorziet in je behoeften aan goederen en diensten zonder die te kopen.
Vrije goederen
Goederen die vrij beschikbaar zijn en waarvoor geen middelen ingezet hoeven te worden om ze te verkijgen.
Commerciele beinvloeding
Beinvloeding van je (koop)gedrag door fabrikanten, winkeliers en verkopers.
Doelgroep
Een groep consumenten voor wie een reclameboodschap of product bedoeld is.
Marketingmix
De manier waarop bedrijven de marketinginstrumenten tegelijk gebruiken.
Sociale beïnvloeding
Beïnvloeding van je (koop)gedrag door mensen uit je directe omgeving.
Keurmerk
Een logo dat aangeeft dat het product of bedrijf aan bepaalde eisen voldoet.
Bruto binnenlands product
BBP. De totale waarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een land.
Inkomen per hoofd van de bevolking
Het gemiddelde inkomen per inwoner van een land.
Nationaal inkomen
Alle inkomens uit arbeid (loon,winst) en bezit (huur,rente,pacht) van een land bij elkaar opgeteld.
Personele inkomensverdeling
De verdeling van het totale inkomen van een land over de inwoners.
Welvaart
De mate waarin je met je beschikbare middelen in je behoeften kunt voorzien.