20 terms

Economie klas 4 H2: Geld moet rollen! (kader)

STUDY
PLAY
Begroting
Een overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor de komende periode.
Budgetteren
Het afstemmen van je uitgaven op je inkomsten.
Chartaal geld
Geld dat je kunt vasthouden; munten en bankbiljetten.
Directe ruil
Je ruilt een product tegen een ander product.
Giraal geld
Geld dat op een bankrekening staat.
Indirecte ruil
Je ruilt goederen of diensten met behulp van een ruilmiddel (geld).
Krediet
Een ander woord voor lening.
Kredietkosten
Alles wat je meer terugbetaalt dan je hebt geleend.
Nibud
Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.
Sparen
Het niet uitgeven van een deel van je inkomen.
Spaarmotieven
Redenen waarom je spaart.
Geldfuncties
Ruilmiddel, spaarmiddel en rekenmiddel.
Beleggen
Je besteedt geld aan iets waarvan je verwacht dat het in waarde zal stijgen.
Dividend
De winstuitkering die een bedrijf doet aan de aandeelhouders.
Rente
Een vergoeding voor iemand die zijn geld beschikbaar stelt.
Consumptief krediet
Een lening voor de aankoop van duurzame consumptiegoederen zoals meubels of een auto.
Hypothecaire lening
Een lening waarbij het huis als onderpand dient als extra zekerheid voor de bank.
Kredietkosten
Het bedrag aan rente en andere kosten, bijvoorbeeld administratiekosten, dat je extra betaalt bij een lening.
Lenen
Het gebruikmaken van geld van een ander.
Reserveren
Geld sparen om er toekomstige incidentele uitgaven mee te kunnen betalen.