27 terms

Vocabulario 1.2

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

¿Qué tal?
Hoe gaat het?
hasta pronto
tot gauw
buenos días
goedendag
¿dónde?
waar?
yo
ik
muy
heel, erg
también
ook
fantástico
fantastisch
grande
groot
en Barcelona
in Barcelona
el chico
de jongen
la chica
het meisje
el amigo
de vriend
la amiga
de vriendin
la hermana
de zus
el hermano
de broer
la tienda
hier: de tent
las vacaciones
de vakantie
la ciudad
de stad
el pueblo
het dorp
tengo
ik heb
tenemos
wij hebben
tiene 14 años
hij / zij is 14 jaar
tengo 15 años
ik ben 15 jaar
vivo en
ik woon in
se llama
hij / zij / u heet
te llamas
jij heet