52 terms

vocabulario 1.4

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

ja
nee
no
ik
yo
hallo!
¡hola!
je spreekt
hablas
het zwembad
la piscina
de camping
el camping
En jij?
¿Y tú?
goed
bien
de vriend
el amigo
de vriendin
la amiga
de vakantie
las vacaciones
groot
grande
ik heb
tengo
ik ben 15 jaar
tengo quince años
hij / zij is 14 jaar
tiene catorce años
ik heet
me llamo
jij heet
te llamas
hij / zij / u heet
se llama
ik ben
soy
hij / zij is, u bent
es
ook
también
waar?
¿dónde?
tot gauw
hasta pronto
ik woon in
vivo en
de stad
la ciudad
het dorp
el pueblo
dichtbij
cerca de
het liedje
la canción
het lievelingsliedje
la canción preferida
zingen
cantar
het telefoonnummer
el número de teléfono
de jongen
el chico
het meisje
la chica
goedendag
buenos días
goedenavond
buenas noches
tot ziens
hasta luego
Nederland
Holanda
Nederlander, Nederlandse
holandés, holandesa
Nederlands (taal)
holandés
Engeland
Inglaterra
Engelsman / Engelse
inglés, inglesa
Engels (taal)
inglés
Spanje
España
Spanjaard / Spaanse
español, española
Spaans (taal)
español
Frankrijk
Francia
Fransman / Française
francés, francesa
Frans (taal)
francés
Duitsland
Alemania
Duitser / Duitse
alemán, alemana
Duits (taal)
alemán