30 terms

Vocabulario 2.1

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

vivir
wonen / leven
trabajar
werken
ir de compras
winkelen, boodschappen doen
buscar
zoeken
delante de
voor
lejos
ver
cerca (de)
dichtbij
a la derecha
naar rechts, aan de rechterkant
a la izquierda
naar links, aan de linkerkant
al lado de
naast
todo recto
rechtdoor
el camino
de weg
el número
het nummer
la vecina
de buurvrouw
el vecino
de buurman
el supermercado
de supermarkt
el banco
de bank
el centro comercial
het winkelcentrum
el instituto
de middelbare school
guapo/-a
knap
alrededor de
ongeveer
juntos/-as
samen
ahora
nu
más
meer
¡Encantado/-a!
Aangenaam!
vale
oké
¡Qué pena!
Jammer!
guay
leuk
¡adelante!
vooruit!
¡finalmente!
eindelijk!