28 terms

Vocabulario 2.2

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

mirar
bekijken
escribir
schrijven
hay
er is, er zijn
me gusta
ik vind (het) leuk
bonito/-a
mooi, leuk
enamorado/-a (de)
verliefd (op)
internet
het internet
la foto
de foto
la casa
het huis
la biblioteca
de bibliotheek
el hospital
het ziekenhuis
el autobús/bus
de bus
la parada
de bushalte
la estación
het station
el fin de semana
het weekend
mañana
morgen
¡Hasta mañana!
Tot morgen!
el centro
het centrum
la panadería
de bakker
la pescadería
de vishandel
la tienda de ropa
de kledingwinkel
el cine
de bioscoop
la farmacia
de apotheek
el restaurante
het restaurant
la calle
de straat
enfrente de
tegenover
aquí
hier
allí
daar