36 terms

Vocabulario 2.3

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

los pasteles
de gebakjes
los dulces
de snoepjes
el chocolate
de chocolade
las patatas
de aardappelen
el pan
het brood
la manzana
de appel
el tomate
de tomaat
la carne
het vlees
los calamares
de inktvissen / inktvisringen
el bacalao
de kabeljauw
la caja
de kassa
el kilo
de kilo
beber
drinken
comer
eten
vender
verkopen
estar
zijn, zich bevinden
quieres
jij wilt
quiero
ik wil
sabes
weet je
todo
alles
por favor
alstublieft (als je wat vraagt)
aquí tiene
alstublieft (als je iets geeft)
aquí tienes
alsjeblieft (als je iets geeft)
gracias
bedankt
¡Adiós!
Tot ziens! / Dag!
¿Algo más?
Anders nog iets?
¿Cuánto es?
Wat kost het? / Hoeveel is het?
¿Quién?
Wie?
¿Qué?
Wat?
¿Cuánto?
Hoeveel?
¿Cuál? / ¿Cuáles?
Welke?
¿Cuándo?
Wanneer?
el primo
de neef
la prima
de nicht
la madre
de moeder
el padre
de vader