64 terms

vocabulario 2.4

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Aangenaam!
¡Encantado/-a!
oké
vale
bedankt
gracias
alstublieft (als je iets vraagt)
por favor
alstublieft (als je iets geeft)
aquí tiene
alsjeblieft (als je iets geeft)
aquí tienes
Tot ziens! / Dag!
¡Adiós!
Tot morgen!
¡Hasta mañana!
morgen
mañana
het weekend
el fin de semana
het huis
la casa
de neef
el primo
de moeder
la madre
de vader
el padre
verliefd
enamorado/-a
leuk
guay
knap
guapo/-a
mooi, leuk
bonito/-a
alles
todo
voor
delante de
ver
lejos
dichtbij
cerca (de)
naar rechts, aan de rechterkant
a la derecha
naar links, aan de linkerkant
a la izquierda
rechtdoor
todo recto
naast
al lado de
tegenover
enfrente de
hier
aquí
de straat
la calle
het ziekenhuis
el hospital
de middelbare school
el instituto
het winkelcentrum
el centro comercial
het station
la estación
zijn, zich bevinden
estar
zoeken
buscar
jij wilt
quieres
ik wil
quiero
ik vind ... leuk
me gusta
drinken
beber
eten
comer
het centrum
el centro
de bank
el banco
de kledingwinkel
la tienda de ropa
de bioscoop
el cine
de bakker
la panadería
de supermarkt
el supermercado
de apotheek
la farmacia
de kilo
el kilo
de chocolade
el chocolate
de snoepjes
los dulces
de aardappelen
las patatas
de appel
la manzana
het brood
el pan
de tomaat
el tomate
het vlees
la carne
Anders nog iets?
¿Algo más?
Wat kost het? / Hoeveel is het?
¿Cuánto es?
Wie?
¿Quién?
Wat?
¿Qué?
Hoeveel?
¿Cuánto?
Welke?
¿Cuál? / ¿Cuáles?
Wanneer?
¿Cuándo?
hier
aquí
daar
allí