How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

Indonesian | Bahasa Indonesia, nederlands,

STUDY
PLAY
Selamat
- wordt gebruikt met andere woorden in de vorm van groeten
Pagi
- ochtend 06.00 - 10.00 uur
Siang
- midden op de dag 10.00 - 15.00 uur
Sore
- namiddag 15.00 - 18.00 uur
Malam
- avond / nacht 18.00 - 06.00 uur
Selamat Pagi
- goede morgen
Selamat Siang
- goede middag
Selamat Sore
- goede middag
Selamat Malam
- goeden avond / nacht
Halo
- hallo, informeel groeten
Apa
- wat is er
Kabar
- nieuws
Apa Kabar?
- wat is er nieuw, hoe gaat het?
Terima
- ontvangen / aanvaarden
Kasih
- geven, liefde
Terima Kasih
- dank u wel
Selamat Tinggal
- tot ziens (tegen achterblijver)
Ya
- ja
Tidak
- nee
Mungkin
- mogelijk / misschien
Lain
- anders / andere keer / verschillend
Kali
- keer (in tijd)
Lain Kali
- een andere keer
Jangan
- doe dat niet (niet)
Bukan
- niet als (dit is niet een)
Saya
- ik, van mij
Mau
- wil, willen
Ini
- dit, hier
Itu
- dat, daar
Perlu
- nodig, nodig hebben
Boleh
- mag ik
Minta
- vragen van
Saya Perlu Ini
- ik heb dit nodig
Boleh Saya Minta Itu?
- mag ik dat hebben?
Saya Tidak Mau Itu
- ik wil dat niet
Bisa
- kunnen, toestaan
Anda
- U , jij
Uang
- geld
Mengerti
- begrijpen
Bahasa
- taal
Bahassa Belanda
- de Nederlandse taal (Nederlands)
Bahassa Indonesia
- de Indonesische taal (Indonesisch)
Bahasa Inggris
- de Engelse taal (Engels)
Anda
- U
Bicara
- spreken
Bisa
- kunnen, kan (toestaan)
Saya tidak mengerti behasa Indonesia
- Ik begrijp geen
Anda bisa bicara behasa Ingris
- kunt u Engels spreken?
Tolong
- AUB
Pelan-Pelan
- langzaam, rustig
Tolong bisa bicara pelan-pelan
- AUB, kunt u langzaam spreken
Dari
- van (plaats)
Saya dari Indonesia
- ik ben van Indonesië
Orang
- persoon
Saya orang Indonesia
- ik ben Indonesisch
Orang Hutan
- Orangutan / bos mensen (soort apen)
Belanda
- Nederlands (Nederlander)
Amerika
- Amerika (Amerikaan)
Jepang
- Japan
Perancis
- Frankrijk
Jerman
- Duitsland (Duitser)
Italia
- Italië (Italiaan)
Cina
- China (Chinees)
Spanyol
- Spanje (Spanjaard)
Saya Suka
- ik hou (van)
Saya Tidak Suka
- ik hou niet (van)
Enak
- lekker / heerlijk
Makan
- eten
Makanan
- voedsel
Minum
- drink / drinken
Minuman
- drank
Air Botol
- flesje water
Nasi Goring
- gebakken rijst
Pedas
- scherp (gekruid)
Manis
- zoet
Garpu
- vork
Sendok
- lepel
Ma'af
- neem me niet kwalijk, pardon
Permisi
- excuseren, verontschuldigen
Di
- in, om, aan, bij, met, tegen
Di Sini
- hier
Di Sana
- daar / daarginds
Di Mana
- waar
Ke
- naar
Ke Sini
- naar hier
Ke Sana
- naar daar
Dari Mana
- van waar
Hotel
- Hotel
Restoran
- Restaurant
Rumah Sakit
- Ziekenhuis
Kantor Polisi
- Politie bureau
Bapak / Pak
- vader, oudere man
Ibu / bu
- moeder, oudere vrouw
Nona
- juffrouw
Nyonya
- mevrouw
Tuan
- meneer
Soudara
- broer, man eigen leeftijd of status
Saudari
- zuster, vrouw eigen leeftijd of status
Dia or Ia
- hij of zij
Adik
- jongere broer of zuster
Kakak
- oudere broer of zuster
Nenek
- grootmoeder
Kakek
- grootvader
Anda
- u, jij (formeel)
Engkau
- u, jij (informeel, wordt niet veel gebuikt)
Kamu
- je, jij, jullie (informeel, veel gebruikt)
Saya
- ik, mijn, mij, ja (formeel)
Aku
- ik, mijn (informeel)
Kalian
- jullie
Mereka
- zij, hun, hen, ze
Kita
- wij, ons, we (inclusief de persoon met wie gesproken
Kami
- wij, ons, we (exclusief de persoon met wie gesproken
Nama
- naam
Kenal
- kennen
Senang
- behagelijk, blij, tevreden, zich goed voelen
Dengan
- met
Juga
- ook / toch
Benar / Betul
- waar, zeer, veel, erg, juist / juist, inderdaad
Baik
- goed
Sekali
- erg, zeer, een keer, geheel, heel
Saya senang berkenalan dengan Anda!
- ik ben blij kennis
Bahagia
- bij (permanent)
Sangat
- uitermate, ernstig, erg, heel erg
Kepada
- aan (personen), naar
Memperkenalkan
- introduceren (formeel)
Kenalkan
- introduceren (informeel)
Saya mau kenalkan kamu kepada dia
- ik wil u introduceren
Mari
- kom, hier komen
Mari saya kenalkan anda kepada
- laat mij u introduceren naar ...
Senang bertemu dengan anda
- blij u te ontmoeten
Sampai bertemu lagi
- tot weer ziens - 1
Sampai jumpa lagi
- tot weer ziens - 2
Nomor
- nummer
Nol
- nul
Satu
- één
Dua
- twee
Tiga
- drie
Empat
- vier
Lima
- vijf
Enam
- zes
Tujuh
- zeven
Delapan (Lapan)
- acht
Sembilan
- negen
Sepulu (Puluh)
- tien
Belas
- Achtervoegsel aan vorm - tien-jaren (zoals in zeventien)
Dedik
- seconde
Menit
- minuut
Jam
- uur
Jam berapa?
- wat is de tijd?
Jam enam pagi
- 6 uur in de morgen
Jam tujuh malam
- zeven uur in de avond
Lewat / Lebih
- gebruikt om de minuten voorbij het uur uit te
Kurang
- gebruikt om de minuten voor het uur uit te drukken
Sekarang
- nu
Kamarin
- gisteren
Besok
- morgen
Lusa
- overmorgen
Januarie / Februari
- januari / februari
Maret / April
- maart / april
Mei / Juni
- mei / juni
Juli / Agustus
- juli / augustus
September / Oktober
- september / oktober
Nopember / Desember
- november / december
Tanggal
- datum
Bulan
- maand
Tahun
- jaar
Saya suka kamu
- ik vind je leuk
Saya sayang kamu
- ik hou van jou
Benar-benar
- werkelijk, waar, zeer, veel, juist
Sangat
- uitermate
Bahagia
- geluk(kig), voorspoed,
Buah hati
- liefste
Kasih sayang
- liefde
Hari kasih sayang
- valentijns dag
Jatuh cinta
- verlieft worden
Cinta monyet
- puppy liefde
Pacar
- vriend, vriendin, verkering
Kekasih
- lieveling
Ayam
- kip
Ikan
- vis
Sapi
- koe
Babi
- varken
Bon
- rekening (bon)
Boleh saya minta bon?
- mag ik de rekening?
Bungkus
- inpakken
Sisa makanan
- restant van het eten
Tolong bungkus sisa makanan ini
- aub pakt u het restant van het
Berapa
- hoeveel
Berapa totalnya?
- hoeveel is het totaal?
Tolong tunggu sebentar
- aub wacht een moment
Sate
- sate (gegrilt vlees op een stokje)
Sayur
- groente
Putih
- wit
Air putih
- drink water
Kopi
- koffie
Gula
- suiker
Teh
- thee
Manis
- zoet
Pahit
- bitter
Teh manis
- zoete thee
teh pahit
- thee zonder suiker
Air jeruk
- sinaasappelsap (orange juice)
Soda
- soda
Anggur
- wijn
Bir
- bier
Selamat minum
- drink smakelijk (proost)
Hari
- dag
Minggu
- week (maar ook Zondag)
Senin
- maandag
Selasa
- dinsdag
Rabu
- woensdag
Kamis
- donderdag
Jumat
- vrijdag
Sabtu
- zaterdag
Hari ini
- vandaag (deze dag)
kemarin
- gisteren
Besok
- morgen
Hari ini hari apa?
- welke dag is het vandaag?
Lusa
- de dag na morgen
Ratus
- 100
Satu ratus (or seratus)
- 100
Ribu
- 1000
Satu ribu
- 1000
Juta
- 1.000.000 (miljoen)
Satu juta (or sejuta)
- 1.000.000 (1 miljoen)
Lima ribu dua ratus
- 5200
Tujuh ratus lima puluh ribu
- 750.000
Satu juta dua ratus ribu
- 1.200.000 (1 miljoen 200
Dua ribu delapan
- 2008
Uang
- geld
Tolong
- aub of help
Bantu
- helpen
Tonlong bantu sayang
- aub help mij
Tolong tolong saya
- help mij aub
Panggil
- te bellen
Polis
- politie
Ambulans
- ambulance
Tolong panggil polis
- aub bel de politie
Sekarang
- nu
Panggil ambulans sekarang
- bel een ambulance nu
Ini darurat
- dit is een nood(toestand)
Sakit
- ziek
Dokter
- dokter
Saya perlu dokter
- ik heb een dokter nodig
Kantor polisi
- politie kantoor
Rumah sakit
- ziekenhuis, hospitaal
Copet
- zakkenroller
Ada
- aanwezig, er is, hebben, is, zijn
Tolong ada copet
- help er is een zakkenroller
Maling
- dief
Awas
- kijk uit
Hati-hati
- voorzichtig
Ganggu
- storen
Jangan ganggu saya
- stoor mij niet
Pegang
- vasthouden, aanraken
Api
- vuur
Kebakaran
- een vuur (in brand geraakt)
Pemadam kebakaran
- brandweerman
Ini apa?
- wat is dit?
Harga
- prijs
Berapa harganya
- wat is de prijs? / hoeveel kost het?
Mahal
- duur
Terlalu mahal
- te duur
Murah
- goedkoop
Bisa (harganya) dikurangin?
- kan de prijs naar beneden?
Tertarik
- geïnteresseerd / interessant
Saya tidak tertarik
- ik ben niet geïnteresseerd
Baik. Saya ambil
- Mooi. ik wil het hebben
Toko
- winkel
Jual / Beli
- verkopen / kopen
Penjual / Pembeli
- verkoper / koper
Bayar
- betalen
Uang
- geld
Uang kembalian
- wisselgeld
Kartu kredit
- creditkaart
Kartu debit
- debit card
Ada uang kembalian?
- is er wisselgeld
Anda terima kartu kredit?
- accepteerd u een credit card?
Punya
- hebben
Ukuran
- maat / kledingmaat
Baju
- kleding / shirt
Celana
- broek
Lebih
- meer
Besar / Kecil
- groot / klein
Belajar
- leren of studeren
Pergi
- gaan
Sudah
- al, reeds
Telah
- reeds
Akan
- zullen, gaan, willen, zal
Sedang
- bezig, bezig met, middelmatig, terwijl, voldoende
Belum
- nog niet
Pernah
- ooit
Belum pernah
- heeft nooit
Selalu
- atijd
masih
- nog, nog steeds
Akan selalu
- zal altijd
Buka
- open, openen
Tutup
- sluiten
Jam buka
- openings tijd (uur)
Jam tutup
- sluitings tijd (uur)
Toko
- winkel
Jam berapa anda buka?
- welke tijd doet u open
Datang
- komen, arriveren
Sampai
- tot, aankomen, bereiken
Biasanya
- gewoonlijk
Bisa saya datang besok pagi?
- kan ik morgen ochtend komen?
Kami buka dari jam ... sampai jam
- we zijn open van ... tot
Saya tersesat
- ik ben verdwaalt
Pakai
- dmv / gebruiken
Telepon
- telefoon
Tinggal
- wonen, verblijven, woonachtig
Antar
- begeleiden, brengen
Warga negara
- inwoner
Kedutaan
- Ambassade
Konsulat
- Consulaat
Boleh saya pakai telepon anda?
- mag ik uw telefoon gebruiken?
Tolong antar saya ke rumah saya
- aub breng mij naar mijn huis
Bagaimana
- hoe
Belok
- bocht
Kiri
- links
Kanan
- rechts
Jalan
- lopen of straat
Terus
- aanhouden (doorgaan)
Berhenti
- stoppen
Selama
- gedurende, tijdens
Lalu
- daarna, vorige
Lampu merah
- stoplicht (rood licht)
Simpang empat
kruispunt
Pertama
eerste, allereerst
Kedua
tweede
Ketiga / Sebelah
derde / opzij, naast, aangrenzend
Baik
- goed
Jahat
- slecht (als met slechte bedoelingen)
Cantik
- mooi, prachtig
Kurus
- dun
Gemuk
- dik
Besar
- groot
Kecil
- klein
Tinggi
- lang
Pendek
- kort
Ramah
- vriendelijk
Kaca Mata
- brillen glazen
Adalah
- er was eens, dat is, is
Wanita
- vrouw
Pria
- man
Rambut
- haar
Panjang
- lang
Pendek
- kort
Muda
- jong
Tua
- oud
Laki-laki
- man
Perempuan
- vrouw
Anak
- kind
Pandai / pintar
slim (bekwaam) / pienter
Bodoh
- stom (gek)
Pikir
- idee, mening
Rasa
- smaak, gevoel
Tahu
- weten, kunnen
Percaya
- geloof, geloven
Bahwa
- dat
Bagus
- goed
Lucu
- grappig
Lebih
- meer
Daripada
- dan (bij vergelijking)
Paling
- het meest
Jauh
- ver (ver weg)
Dekat
- dichtbij
Bersih
- schoon
Kotor
- vies
Bagaimana
- hoe
Di mana
- waar
Ke mana
- waar naar toe
Apa
- wat (is er)
Kapan
- wanneer
Mengapa
- waarom
Yang mana
- welk (welke)
Siapa
- wie
Lagi
- opnieuw
Terjadi
- gebeuren, gebeurde
Kapan in terjadi?
- wanneer gebeurde het?
Siapa kamu?
- wie ben je, wie bent u?
Ayah
- vader
Dan
- en
Atau
- of
Buku
- boek
Buku yang ini
- dit boek
Jalan
- lopen
Jalan-Jalan
- wandelen (lopen)
Pantai
- strand
Walaupun
- hoewel, ofschoon
-
hoewel ik van indonesisch eten hou, hou ik niet van pittig eten.
Kalau / jika
- als, indien / als, indien, in het geval, in
Setiap / Setiap hari
- ieder / iedere dag
Karena
- omdat
Supaya
- zodat
Tetapi / tapi
- maar
Pintar / pandai
- pienter / slim
Keras
- hard
Lancar
- vloeiend
-
Ik leer de Indonesische taal zodat ik ze vloeiend kan spreken.
Mary sangat pintar kerana dia belajar keras.
- Mary is erg slim
Setelah
- nadat
Gosok
- poetsen, wrijven
Gigi
- tanden
Lagi / Maka
- opnieuw / daarom, dan, dus, toen
Setelah saya makan malam, saya gosok gigi.
- na het avond
putih
- wit
Hitam
- zwart
Merah
- rood
Kuning
- geel
Hijau
- groen
Biru
- blauw
Coklat
- chocolade
Oranye
- oranje
Ungu
- paars
Abu
- as / stof
Abu-abu
- grijs
Merah muda
- ligt rood/roze (letterlijk "jong rood")
Biru tua
- donker blauw (letterlijk "oud blauw")
Buka / membuka -- Tutup / menutup
- open / openen -- sluit /
Lari / berlari
- ren / rennen
Lompat / melompat
- spring / springen
Bola
- bal
Lempar / melempar
- gooi / gooien
Jatuh
- vallen
Main / bermain
- speel / spelen
Ambil / mengambil
- pakken, halen / nemen, halen
Buat / membuat
- maak / maken
Berdiri
- staan, rechtop staan
Duduk
- zit (zitten)
Baca / membaca
- lezen / lezen, voorlezen
Koran / surat kabar
- krant / brief, bewijs, krant
Tulis / menulis
- schrijf / schrijven
Di pagi hari
- in de morgen
Bangun
- opstaan / wakker worden
Pakaian
- kleren
Berpakaian
- aankleden
Mandi
- een bad nemen / een .... nemen
Kamar
- kamer
Kamar mandi
- badkamer
Telor / Susu
- ei / melk
Bangun pagi
- wakker worden / opstaan in de morgen
Odol / pasta gigi
- tandenpasta
Masak / memasak
- koken
Masak (as an adjective)
- koken
Sarapan
- ontbijt
Roti -- Keju -- Selai
- brood -- kaas -- jam
Di malam hari
- s' nachts
Tonton / menonton
- kijken naar (fil, tv etc.), toeschouwen
Televisi
- televisie
Sebelum
- voordat
Sesudah / setelah
- nadat, na / nadat
Dengar
- horen, luisteren
Radio
- radio
Tempat
- plaats
Tempat tidur
- bed
Kamar tidur
- slaapkamer
Kantuk
- slaperigheid
Mengantuk / ngantuk
- slaap, slaaphebben, knikkebollen /
Hangat
- warm
Kemudian
- afterwards, later, then
Binatang / hewan
- dier, beest / dier, vee, beest
Kebun
- tuin
Kebun binatang
- dierentuin
Anjing / Kucing
- hond / kat
Seperti
- zoals, als, overeenkomstig
Semut / Burung
- mier / vogel
Kakak Tua / Nyamuk
- Kakatoe / mug
Monyet / Ular
- aap / slang
Seperti biasanya
- zoals gewoonlijk, zoals altijd
Ulat
- rups
Kuda / Singat
- paard / leeuw
Hirimau / Kupu-kupu
- tijger / vlinder
Laba-laba / Lumba-lumba
- spin / dolfijn
Langit
- hemel
Matahari / surya
- zon
Bulan
- maan
Bintang
- ster
Awan
- wolk
Hujan
- regen
Angin
- wind
Petir
- donderslag
Pelangi
- regenboog
Pohon
- boom
Bunga
- bloem
Sungai
- rivier
Laut
- zee
Danau
- meer
Supir
- chauffeur / bestuurder
Pandu
- gids
Pemandu
- gids
Pemandu wisata
- touristen gids
Sewa
- huur, huren
Mobil / Bensin
- auto / benzine
Per jam / Per hari / Sentengah hari
- per uur / per dag /
Setuju
- akkoord, eens zijn
Bantu / membantu
- help, helpen / helpen
Paket
- pakket
Onkos
- kosten
Termasuk
- inclusief
Harga pas
- vaste prijs
Harga mati
- vaste prijs
Uang tanai
- contant geld, baargeld
Se + bijgevoegd (bijv. naamwoord)
- een manier om te
Secantik / Setinggi
- zo mooi als / zo lang als
Sebasar
- zo groot als
Lebih
- meer
Daripada
- dan, dan (bij vergelijking)
Paling
- meest, het meest
Paling tinggi
- de langste
Seperti
- zoals, als, vereenkomstig
Ter + bijgevoegd (bijv. naamwoord)
- een andere manier om te
Tertinggi
- de langste
Tidak se + bijgevoegd (bijv. naamwoord)
- niet als (bijgevoegd
Paling tidak + bijgevoegd (bijv. naamwoord)
- een manier om te
Dunia / Gunung / Palau
- de wereld / berg / eiland
Guru
- leraar
Seorang
- één persoon
Buah
- fruit
Ekor
- stuk - gebruikt als "aantallen van bv dieren"
Seekor
- één dier
Gelas / Segelas
- glas / één glas
Piring / Sepiring
- bord / één bord
Sebunkus
- iets wikkelen in (ingepakt kado, eten ingepakt
Helai / Sehelai
- vel, blad / een deel van een vel of blad
Potong / Sepotong
- snijden / plak
Rasa
- smaak, gevoel
Dengar / mendengar
- oren / luisteren
Lagu
- lied
Suara
- stem, geluid
Lihat / melihat
- zien / kuiken naar
Salah
- fout, vergissing
Antar
- begeleiden, brengen, iemand escorteren
Cium / mencium
- te ruiken / kussen, kus
Bau
- geur / vies ruiken
Wangi
- geurig / goed ruiken
Segar
- vers
Apel
- appel
Pisang
- banaan
Nenas
- ananas
Pepaya
- papaya
Tomat
- tomaat
Buah - buahan
- fruit in het algemeen
Mangga
- mango
Harum
- geur, geurig
Alpukat
- avocado
Duri
- doorn
Coba / mencoba
- toe, probeer, broberen
Kelapa
- kokosnoot
Es kelapa muda
- jonge kokosnoot met ijs
Telepon / menelepon
- telefoneren / iemand bellen
Boleh saya berbicara dengan ..?
- mag ik .... spreken?
Siapa yang menelepon?
- wie beld er?
Hallo ini ... / Tunggu
- hallo. dit is ... / wachten
Sebentar / Tolong tunggu sebentar, ya?
- even, ogenblik, moment /
Apakah ... di sana? / Dengan siapa saya berbicara
- hallo
Koneksi / Jelek
- verbinding / lelijk, vies
Koneksi teleponnya jelek.
- de telefoon verbinding is lelijk
Apakah kamu masih di sana?
- ben je daar nog?
Ya, saya masih di sini.
- ja, ik ben nog hier.
Maaf. Saya pikir kamu tidak mendengar saya.
- sorry. ik dacht
Sambung / Salah sambung
- verbinding / verkeert nummer
... sedang tidak ada di sini
- ... is momenteel niet hier
Kasih tahu / Operator
- Laat iemand weten, te vertellen /
Pekerjaan / Apa pekerjaan anda?
- beroep, baan / wat is uw beroep
Kantor / Arsitek / Musisi
- bureau , kantoor / architect /
Insinyur / Secretaris / Pelukis
- ingenieur / secretaris /
Penulis / Pelajar / Penjaga toko
- schrijver / student /
Ibu rumah tangga / Ahli
- huisvrouw / deskundige, specialist
Ahli bahasa / Ahli sererah
- taalkundige / historicus
Ahli teknik / Ahli mesin
- technicus / monteur
Tukang / Tukang kayu
- vakman, arbeider / timmerman
Tukang cat / Tukang pos
- schilder / postbode
Tukang kebun / Juru
- tuinman / vakman, deskundige
Juru masak / Juru bicara
- chef / woordvoerder
Juru kamera / Dokter mata
- fotograaf / oogarts
Dokter gigi / Dokter bedah
- tandarts / chirurg
Rumah
- huis
Rumah makan
- restaurant
Meja
- tafel
Untuk
- bestemd voor , om, voor, ten behoeven
Tolong
- aub
Tolong meja untuk dua orang
- tafel voor twee aub
Daftar makanan
- menu
Pesan
- bestellen
Istimewa / special
- bijzonder / speciaal
Yang
- welke (is dat)
Makanan apa yang istimewa?
- welk eten is speciaal?
Tolong
- aub, helpen, hulp
Pedas
- heet (scherp)
Terlalu
- te
Tolong jamgan terlalu pedas!
- aub maak het niet te heet
Sambal
- rode chili saus
Selamat makan
- eet smakelijk