45 terms

Unit 2.1+2 2HV

STUDY
PLAY
barn
schuur
blanket
deken
cause (to)
veroorzaken
continue (to)
doorgaan, verder gaan
corner
hoek
crash (to)
te pletter vallen, ineenstorten
crop
gewas
cyclone
orkaan, cycloon
emergency
noodsituatie
eyewitness
ooggetuige
first aid kit
EHBO-set
hit (to) - hit
treffen - trof(fen)
injure (to)
verwonden
millions
miljoenen
noise
geluid
prepare (to)
voorbereiden
result (in)
tot gevolg hebben
severe
hevig, zwaar
shake (to) - shook
schudden - schudde(n)
thunderstorm
onweersbui
torch
zaklantaarn
warn (to)
waarschuwen
whimper (to)
janken, jammeren
whistle
fluitje
windy
winderig
accommodation
accommodatie
adventure
avontuur
annual
jaarlijks
besides
behalve
certainly
zeker, ongetwijfeld
competitor
deelnemer
ditch
sloot
equipment
uitrusting
experience
ervaring
meaning
betekenis
pleasant
aangenaam
plunge (to)
zich werpen, duiken
promise (to)
beloven
provide (to)
voorzien
rotten
verrot
splash about (to)
rondspetteren
smelly
vies, stinkend
take place (to) - took place
plaatsvinden - vond(en) plaats
terrible
verschrikkelijk, vreselijk
wacky
gek