87 terms

Unit 2.1-4 2HV

STUDY
PLAY
believe (to)
geloven
bother (to)
lastigvallen
complain (to)
klagen
complaint
klacht
customer service
klantenservice
desk
balie
disappear (to)
verdwijnen
flavour
smaak
fresh
vers
frog
kikker
handsome
knap
healthy
gezond
make
merk
realise (to)
zich realiseren
on offer
in de aanbieding
salt
zout
spinach
spinazie
stir (to)
roeren
straight
rechtstreeks
supermarket
supermarkt
vinegar
azijn
afford (to)
zich veroorloven
airplane
vliegtuig
airsickness
luchtziekte
broadcast
uitzending
carrot
wortel
century
eeuw
collector
verzamelaar
collection
verzameling
dare (to)
aandurven
encourage (to)
aanmoedigen
peculiar
vreemd, bijzonder
reminder
aandenken
stamp
postzegel
strange
vreemd
throw away (to) - threw away
weggooien - gooide(n) weg
tin
blik
toothpaste
tandpasta
tune in (to)
de radio/televisie aanzetten
uneasy
onbehaaglijk
unusual
buitengewoon
wonder (to)
zich afvragen
barn
schuur
blanket
deken
cause (to)
veroorzaken
continue (to)
doorgaan, verder gaan
corner
hoek
crash (to)
te pletter vallen, ineenstorten
crop
gewas
cyclone
orkaan, cycloon
emergency
noodsituatie
eyewitness
ooggetuige
first aid kit
EHBO-set
hit (to) - hit
treffen - trof(fen)
injure (to)
verwonden
millions
miljoenen
noise
geluid
prepare (to)
voorbereiden
result (in)
tot gevolg hebben
severe
hevig, zwaar
shake (to) - shook
schudden - schudde(n)
thunderstorm
onweersbui
torch
zaklantaarn
warn (to)
waarschuwen
whimper (to)
janken, jammeren
whistle
fluitje
windy
winderig
accommodation
accommodatie
adventure
avontuur
annual
jaarlijks
besides
behalve
certainly
zeker, ongetwijfeld
competitor
deelnemer
ditch
sloot
equipment
uitrusting
experience
ervaring
meaning
betekenis
pleasant
aangenaam
plunge (to)
zich werpen, duiken
promise (to)
beloven
provide (to)
voorzien
rotten
verrot
splash about (to)
rondspetteren
smelly
vies, stinkend
take place (to) - took place
plaatsvinden - vond(en) plaats
terrible
verschrikkelijk, vreselijk
wacky
gek