How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

45 terms

les 13

STUDY
PLAY
kiem
germe
gaaf
intact, entier, en bon état / "cool"
verwekken
engendrer, provoquer (bactérie->infection)
spijsvertering
digestion
lympheklier
weiknoop
wei
serum, whey / meadow
verwittigen
avertir
wiek
mèche, cièrge / aile
darmdoorvoer
transit intestinal
aambei
hémorroïde
schaven
raboter, écorcher
zonnensteek
hitteslag
meningeale prikkeling
stimulation méningée
spatader
varice
stamppot
stoemp
knel zitten
être coincé
gewaarworden
poczuc
krop
struma
tot nader order
jusqu'à nouvel ordre
in opspraak brengen
compromettre
zede
moeurs
zedelijk
éthiquement
zege
victoire
verzuipen
verdrinken
spalk
attelle
onderscheppen
to intercept
prutsen
chipoter
knullig
clumsy
vertrouwd
familiar // trusted, trustworthy
stipt
puntual, strict
spits
sharp, pointed // point, top
gesteld op
keen on
het laten afweten
niet doen wat van je verwacht wordt
alvast
meanwhile, already
genadig
merciful, forgiving
om'streden
controversial
beschaafd
civilisé, cultivé
bekeren
to convert
verschaffen
to provide, supply
zeef
sieve
zich vergewissen van
s'assurer de/que
dop
skorupka // korek //(BE) werkeloosheidsuitkering
krans
wreath
kransslagader
coronary artery
spreekkamer
surgery, consulting room