36 terms

Geschiedenis

Hoofdstuk 1 Begrippen
STUDY
PLAY
Argrarisch
Wat betrekking heeft op landbouw
Cultuur
Alles wat een groep met gemeenschappelijke kenmerken voortbrengt zoals taal, godsdienst, kunst, normen en waarden
Irrigratielandbouw
Landbouw waarbij op een kunstmatige wijze water naar de akkers wordt geleid.
Jagers-verzamelaars
Groepen mensen in de prehistorie die leefden van de jacht en van wat ze in de natuur vonden. Jagers-verzamelaars waren nomaden en trokken in kleine groepen rond op zoek naar voedsel.
Landbouwsamenleving
Samenleving waarin het allergrootste deel van de bevolking leeft van de landbouw.
Monotheïsme
Relegie waarin één god wordt vereerd.
Natiestaat
Staat waarin sprake is van een politieke en maatschappelijke eenheid. De inwoners hebben het gevoel dat ze bij elkaar horen door een gemeenschappelijke taal, cultuur, of geloof, en de overheid bevorderd dit.
Neolithicum
Nieuwe steentijd, de periode waarin de mensen leven van de landbouw.
Neolithische Revolutie
De overgang van jagen en verzamelen naar landbouw in de nieuwe steentijd. Dit gebeurde omstreeks 11.000 v. Chr. in het midden-oosten, mogelijk veroorzaakt door klimaatveranderingen. In de eeuwen daarna verspreidde de kennis van de landbouw zich naar Europa.
Paleolithicum
Oude steentijd, de periode waarin jagers-verzamelaars leefden.
Polytheïsme
Religie waarin meerdere goden tegelijk worden vereerd. De egyptische godsdienst was polytheïstisch
Prehistorie
letterlijk 'voor geschiedenis'. De periode waarin de mensen in een bepaald gebied geen schrift kennen en gebruiken.
Sedentair
Met een vaste permanente woonplaats.
Staat
Een land waarin sprake is van wetgeving rechtspraak en duidelijk bestuur, met een overheid die besluiten neemt voor alle inwoners.
Stadstaat
Staat ter grootte van een stad met omringend platteland. Een stadstaat had een eigen bestuur, rechtspraak, leger en regels.
Vruchtbare halvemaan
Boogvormig gebied in het Midde-Oosten (het huidige Israël, Irak, Iran, Syrië) Waar de landbouw is ontstaan.
Aristocratie
In een Aristocratie is de adel de baas. Aristocratie is ook een ander woord voor adel.
Burgerschap
Het feit dat je burger bent met alle politieke en maatschappelijke rechten die daarbij horen.
Christendom
Monotheïstische godsdienst, gesticht door de aanhangers van Jezus Christus. Het christendom is onstaat uit het jodendom.
Democratie
In een democratie is het volk de baas en iedereen kan meebeslissen over het bestuur van de samenlevinf, via een volksvergadering of parlement.
Directe democratie
Wijze van besturen waarbij de bevolking bij het nemen van bestuurlijke besluiten zelf naar de volksvergadering gaat en zelf mag stemmen.
Filosoof
Een filosoof denkt na over de vragen waarop je niet meteen een vaststaand antwoord kunt geven en probeert zo de wereld om hem heen te verklaren.
Hellenisme
De periode van ca. 300-ca. 30 v. Chr. waarin de Griekse cultuur werd verspreid over het hele gebied dat Alexander de Grote had veroverd.
Imperium
Een groot rijk onder de macht van een keizer of van één volk. Met het imperium Romanum werd in de Oudheid het Romeinse Rijk bedoeld.
Jodendom
De oudste monotheïstische godsdienst uit het jodendom is het christendom voortgekomen.
Klassiek
De manier van uitbeelden (de 'vormentaal') van de Grieken in de periode tussen 480 en ca. 330 v. Chr. die vanaf de tweede eeuw v. Chr. als klassiek werd beschouwd, dat wil zeggen als voorbeeld van blijvende waarde. De cultuur van de grieken en Romeinen noemen we de klassieke cultuur.
Klassieke Oudheid
Vaakgebruikte term in plaats van alleen 'Oudheid', wanneer word bedoelt dat die periode een belangrijk voorbeeld was voor later. Met 'klassieke periode' wordt meestal de Griekse bloeitijd in de vijfde en vierde eeuw v. Chr. aangeduid.
Monotheïsme
Een religie met één god. Niet als oppergod, maar als enige god.
Oligarchie
In een oligarchie is een kleine groep rijke mensen de baas in de samenleving.
Politiek
Oorsprongkelijk: het leven als actief burger in een polis/stadstaat. Later betekent het: de manier waarop een stad, streek of land word bestuurd.
Republiek
In tegenstelling tot een moarchie (met erfelijke alleenheerschappij) Worden in een republiek telkens nieuwe leiders gekozen en word de macht gedeeld.
Romanisering
Het overnemen van (delen van) de cultuur van de Romeinen.
Staatsgoddienst
De godsdienst die van het staatsbestuur de voorkeur krijgt en die door de staat wordt beschermd.
Stadstaat
Zelfstandige staat die bestaat uit een stad met het omliggende gebied. Het griekse woord voor stadstaat is polis, meervoud poleis.
Volksverhuizingen
De periode tussen ca. 375 en 600 waarin het Romeinse Rijk onder druk stond en het West-Romeinse Rijk uiteenviel door verpaatsingen van Germaanse en andere volken.
Wetenschap
Wetenschao baseert theorieën op experimenten, waarneming en het gebruik van het verstand.