309 terms

Latijn, pensum Ovidius 2019, >2x

STUDY
PLAY
a(b) (+?)
+ abl. vanaf, door (met pers.)
absum
afwezig zijn
ad (+?)
+ acc. bij, naar, tot
addo
toevoegen
adsum
aanwezig zijn
aetas
leeftijd
aevum
tijd, eeuwigheid
ago (stt?)
egi, actus; voeren, leiden, handelen
aio
bevestigen, zeggen
alter
(de) een, de ander (van twee)
ambo
beide
amo
houden van, beminnen
amor
liefde
an
of (afh. vraag) / of... soms
annus
jaar
ante (+?)
+ acc. voor / tevoren, eerder
aqua
water
arcus,us
boog
arma
wapens
ars
kunst
artus,a,um
nauw, strak
artus,us
ledematen (mv)
arvum
akker, veld
at
maar
aufero (stt.?)
abstuli, ablatus; wegdragen, wegnemen
auris
oor
aurora
dageraad
bonus
goed
bracchium
arm
cacumen
top, punt, spits
Cadmus
Cadmus
cado (stt?)
cecidi, casurus; vallen
capillus
haar
capio
pakken
caput
hoofd
carmen
lied, gedicht
causa
reden, (oor)zaak
celer (F/N?)
celeris, celere; snel
certus
zeker
cervix
hals, nek
cervus
hert
clarus
helder, beroemd
cogo (stt.?)
coegi, coactus; dwingen, verzamelen
colligo
verzamelen
collum
hals, nek
colo
vereren, bebouwen
comes
metgezel
como
(haar) kammen
coniunx
echtgenote, echtgenoot
cornu,us
hoorn
corpus
lichaam
credo
menen, geloven, (toe)vertrouwen
cresco (stt?)
crevi, cretum; groeien, ontstaan
crimen
beschuldiging, (voorwerp van) verwijt
cum (+?)(3)
1. + ind. wanneer, toen / 2. + con. nadat, omdat, hoewel / 3. + abl. (samen) met
cupio
verlangen
de (+?)
+ abl. over, vanaf
dea
godin
debeo
moeten, verschuldigd zijn
deus
god
Diana
Diana
dico
zeggen, spreken, noemen
dies
dag / termijn
disto
verwijderd zijn van, verschillend zijn
do
geven
dolor
pijn, verdriet
dominus
meester
domus
huis
dum (+?)(2)
1. + ind. terwijl / 2. + con. als maar, mits
duo
twee
ego (verb.?)
mei, mihi, me, me; ik
eo
gaan
equus
paard
ergo
dus, daarom
error
fout, vergissing
et
en, ook
etiam
ook, zelfs
facio
maken, doen
fallo
bedriegen; onpers: het ontgaat (+ acc. pers.)
fama
roem, gerucht
fatum
(nood)lot
fax
fakkel
felix (F/N?)
felix, felix; gelukkig, vruchtbaar
fera
wild beest
fero (stt.?)
tuli, latus; (ver)dragen, brengen, voeren
ferus
wild, woest
figura
vorm, gestalte
finio
beëindigen
fio (inf.?)(st.?)
fieri, factus sum; worden, gebeuren
flamma
vlam
flecto
buigen, veranderen
for (st.?)
fatus sum; zeggen, spreken
forma
vorm, schoonheid
fortis (F/N?)
fortis, forte; dapper, sterk
fortuna
lot, geluk
frater
broer
fuga
vlucht
fugio
(ont)vluchten
fugo
op de vlucht jagen
genitor
vader
habeo
hebben, houden
haereo
blijven steken
herba
kruid, gras
hic (pron.)(F/N?)(gen.?)
haec, hoc; huius; deze, dit
homo
mens, man
hostis
vijand
iam
al (....meer, bij ontk.)
idem (F/N?)(gen.?)
eadem, idem; eiusdem; dezelfde, hetzelfde
ignis
vuur
ille (F/N?)(gen.?)
illa, illud; illius; die, dat
in (+?)(2)
1. + abl. in, op, bij / 2. + acc. in, naar
ingenium
aard, talent, verstand
insequor
(op de voet) volgen
interea
ondertussen
invenio
vinden
ipse (F/N?)(gen.?)
ipsa, ipsum; ipsius; zelf
ira
woede, toorn
is (F/N?)(gen.?)
ea, id; eius; hij, zij, het, die, dat, deze, dit
iste (F/N?)(gen.?)
ista, istus; istius; die, dat
iubeo
bevelen
iudicium
oordeel
iungo
verbinden
Iuppiter (gen.?)
Iovis; Jupiter
iustus
rechtvaardig, terecht
iuvenis
jongeman
labos / labor
werk, moeite
lacertus
(boven)arm
laedo
kwetsen, schaden
lego
verzamelen, lezen, kiezen
lĕvis (F/N?)
levis, leve; licht, onbelangrijk
lēvis (F/N?)
levis, leve; glad
levo
verlichten
loca
plaats, gebied
locus
plaats
longus
lang
loquor (st.?)
locutus sum; spreken
lumen
licht, oog
lux
licht
magnus
groot
maneo
blijven
manus,us
hand, schare
mater
moeder
medius
midden- / middelste
membrum
lichaamsdeel, pl. ledematen
mens
geest, verstand, gezindheid
mensa
tafel
meo
gaan, stromen
mergo
onderdompelen
merus
zuiver, echt
metior
(af)meten
meus
mijn
mille
duizend
misceo
mengen
miser
ongelukkig
mitto
zenden
modo
slechts, zojuist
modus
wijze, manier
mollis (F/N?)
mollis, molle; zacht
mons
heuvel, berg
moveo
bewegen
multus
veel
muto
veranderen
nam
want
narro
vertellen
nascor (st.?)
natus sum; geboren worden
ne (+?)(2)
1. + con. opdat niet / 2. + con. dat (na vrezen/verhinderen)
nec
en niet, maar niet, ook niet
nego
ontkennen, weigeren
nepos
kleinzoon, nakomeling
nimius
te groot, te veel
nisi
als niet, tenzij, behalve
no
zwemmen
nomen
naam
non
niet
nos (verb.?)
nostri, nobis, nos, nobis; wij
nosco
leren kennen
noster
onze, ons
noto
markeren, bemerken
nudus
naakt
nullus (gen.?)
nullius; geen
nunc
nu
nympha
nimf, bruid
oculus
oog
omnis (F/N?)
omnis, omne; elk, ieder, alle, geheel
ops
hulp, kracht, mv: vermogen, rijkdom
opto
wensen
opus
werk
ora
kust, zoom, rand
oro
bidden, smeken
os,oris
mond, gezicht
os,ossis
bot, been
pareo
gehoorzamen
pario
verwerven, voortbrengen
pars
deel
parvus
klein
pater
vader
pectus
borst
penna
veer
per (+?)
+ acc. door(heen), over, gedurende
perdo
te gronde richten, verliezen
pes
voet
peto
streven naar, vragen (aan: a(b)), trachten te bereiken, gaan naar, aanvallen
Phoebus
Apollo
Phryx
Trojaan, Phrygiër
placeo
bevallen, in de smaak vallen
plus
meer
poculum
beker
pono (stt.?)
posui, positus; zetten, plaatsen, leggen
possum (st.?)
potui; kunnen
praepono
aan het hoofd zetten van, verkiezen boven (m. dat.)
precor
bidden
primus
eerste
protinus
onmiddellijk
pudor
schaamte
puer
jongen
puto
menen, beschouwen als
quaero
vragen, zoeken
qui (F/N?)(gen.?)(2)
quae, quod; cuius; 1. welke, wat voor een? / 2. die, dat
quidem
zeker, weliswaar, maar
quis (F/N?)
quis, quid; wie - wat?
quivis (F/N?)
quaevis, quodvis; wie/wat je maar wilt
quondam
eens, ooit
quotiens
hoevaak / zovaak als
ramus
tak
refero (stt.?)
rettuli, relatus; vertellen, rapporteren, terugbrengen
refert
het is van belang
regnum
heerschappij
relinquo
verlaten, achterlaten
res
zaak, ding
saepe
dikwijls
saepes
omheining, tuin
sagitta
pijl
scelus
misdaad
scribo
schrijven
se (2)
1. in AcI: hij/zij (ev) / zij (mv) / 2. zich (ev/mv)
sed
maar
semper
altijd
senex
oude man
sentio
voelen, merken
sequor (st.?)
secutus sum; volgen
serus
(te) laat
si
als, indien, of (in afh. vraag)
sic
zo
silva
bos
similis (F/N?)
similis, simile; gelijkend op, gelijk aan
simul
tegelijk(ertijd)
socer
schoonvader
soleo
gewoon zijn
spargo
strooien, werpen
specto
zien
spero
hopen
spes
hoop
sto
staan
studium
ijver, streven
sub (+?)(2)
1. + acc. naar onder / 2. + abl. onder
subeo
op zich nemen, naderen
sum
zijn, bestaan
sumo
pakken, nemen
super (+?)(2)
1. + abl. boven op / 2. + acc. aan de andere kant van, meer dan
superus
boven-, hemels
sustineo
hooghouden, uithouden
suus
zijn, haar, hun (eigen)
taceo
zwijgen
talis (F/N?)
talis, tale; zodanig
tamen
toch
tango (stt.?)
tetigi, tactus; aanraken
tantus
zo groot, zo veel
tardus
langzaam
tectum
dak, huis
tego
bedekken
tellus
aarde
templum
tempel
tempto
proberen
tempus
tijd
teneo
(vast)houden, bezitten
terra
aarde, land
tot
zoveel
totus (gen.?)
totius; geheel
tu (verb.?)
tui, tibi, te, te; jij
tuus
jouw
umbra
schaduw, schim
una
samen met, tegelijk
unda
golf, water
unus (gen.?)
unius; één
urbs
stad
ut (+?)(2)
1. = ind. zoals, zodra, hoe / 2. + con. opdat, zodat
vel
of (ook)
vello
trekken, uitrukken
venio
komen
verbum
woord
verto
(om)draaien
verus
werkelijk, echt, waar
vester
jullie
vestigium
voetspoor
vestis
kleding
vetus (F/N?)(gen.?)
vetus vetus; veteris; oud
video
zien
vir (gen.?)
viri; man
virtus
deugd, moed
vis
kracht, geweld
viso
gaan zien, bezoeken
vita
leven
vivo (stt.?)
vixi, victurus; leven
vix
nauwelijks
volo
willen
vos (verb.?)
vestri, vobis, vos, vobis; jullie
vox
stem
vulnus
wond
vultus,us
gelaat