26 terms

En Action 6 Unité 30: Je suis malade.

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

un ami
een vriend
une amie
een vriendin
un GSM
een gsm
un médicament
een geneesmiddel
un message
een bericht
une faute
een fout
une page
een pagina
à la page 5
op bladzijde 5
une phrase
een zin
un texte
een tekst
une tête
een tekst
un ventre
een bruik
Ça va mieux.
Het gaat beter.
À demain!
Tot morgen!
l'agent qui parle
de agent die spreekt
la fille qui chante
het meisje dat zingt
si tu veux
als je wil
s'il veut
als hij wil
Qui est à l'appareil?
Met wie spreek ik?
avoir mal à la tête
hoofdpijn hebben
avoir mal au ventre
buikpijn hebben
avoir mal aux pieds
pijn aan de voeten hebben
apprendre
leren
devoir
moeten
je dois
ik moet
écrire
schrijven