CM3 - Fontys Toegepaste Psychologie - Begrippen Baarda H1/4

Gebaseerd op de begrippenlijst van de hoofdstuk 1 t/m 4 van Baarda's "Dit is onderzoek". De verplichte literatuur voor CM3.
STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

Probleemstelling
Schets van de achtergrond waaruit de onderzoeksvraag voorkomt. Wat was bijvoorbeeld de aanleiding?
Doelstelling
Waarom doe je het onderzoek? Wat is het belang ervan?
Onderzoeksvraag
De vraag waarop het onderzoek antwoord moet geven.
Toegepast onderzoek
Onderzoek dat gericht is op het verzamelen van informatie die in de praktijk gebruikt kan worden, dus voor praktische doeleinden.
Zuiver wetenschappelijk onderzoek
Onderzoek dat gericht is op het vergroten van wetenschappelijke kennis. Het onderzoek hoeft dus geen direct maatschappelijk nut te hebben.
Open onderzoeksvraag
Onderzoeksvraag waarbij van tevoren het antwoord op de onderzoeksvraag niet duidelijk is, zoals bij veel imago-onderzoek.
Gesloten onderzoeksvraag
Onderzoeksvraag waarbij je min of meer weet wat je kunt verwachten, maar bijvoorbeeld alleen de frequentie niet weet, zoals bij onderzoek naar naamsbekendheid.
Kwalitatief onderzoek
Onderzoek waarbij problemen beschreven en geïnterpreteerd worden met behulp van belevingen, ervaringen en betekenisverleningen. Verzameld via open interviews, participerende observatie en/of bestaande documenten.
Kwantitatief onderzoek
Onderzoek waarbij het onderzoeksmateriaal bestaat uit cijfermatige gegevens, die statistisch geanalyseerd worden om antwoord te geven op de onderzoeksvraag.
Verifieerbaarheidseis
De eis dat uit het onderzoeksverslag duidelijk moet worden hoe de onderzoeker aan zijn conclusies komt.
Reproduceerbaarheidseis
De eis dat een onderzoek controleerbaar moet zijn in de zin dat het onderzoek op basis van de informatie uit het onderzoeksverslag herhaald moet kunnen worden
Transparantie-eis
De eis dat het duidelijk moet zijn hoe een onderzoeker aan zijn conclusie komt. Zijn gedachtegang moet dus helder en navolgbaar zijn. Vooral bij kwalitatief onderzoek wordt deze eis gehanteerd, omdat een exacte reproductie van dit soort onderzoek vaak onmogelijk is.
Onderzoekseenheid
Object bij wie, waarbij of waarover gegevens worden verzameld. Onderzoekseenheden zijn niet noodzakelijkerwijs mensen/personen.
Generaliseren
Uitspraken doen over een populatie op basis van een steekproef.
Populatie
Het totaal van eenheden waarop een onderzoek betrekking heeft en waarover een uitspraak wordt gedaan.
Eigenschapsbegrip
Het te meten kenmerk van de onderzoekseenheden, zoals agressie.
Thesaurus
Een boek met alle officiële zoektermen voor een specifiek vakgebied, inclusief de verwante en bredere termen.
Zoekmachine
Het programma, zoals Google Scholar, dat voor je zoekt naar artikelen, boeken en rapporten waarin je zoekt.
Zoekterm
De term waaronder relevante literatuur opgezocht wordt.
Beschrijvend onderzoek
Onderzoek waarbij het gaat om de registratie en systematische ordening van wat zich voordoet op een bepaald gebied, en waarbij niet wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een theorie of het formuleren van een hypothese. Dit is bijvoorbeeld het geval bij onderzoek naar de naamsbekendheid van een bepaald product.
Casestudie
Een gedetailleerde en intensieve studie van een of enkele eenheden die als voorbeeld moet dienen voor het te bestuderen fenomeen.
Verkennend/explorerend onderzoek
Trial-and-erroronderzoek waarbij wordt begonnen met vage veronderstellingen over de werkelijkheid, met onscherp geformuleerde hypothesen of verwachtingen en geen van tevoren vastgelegde werkwijze, om op die manier zo open mogelijk te staan voor de werkelijkheid en te komen tot de ontwikkeling van hypothesen.
Toetsend onderzoek
Onderzoek waarin je meet of een van tevoren geformuleerde verwachting, meestal een hypothese gebaseerd op een theorie, uitkomt.
Theorie
Een aantal logisch gekoppelde en plausibele beweringen die een verklaring voor een specifiek fenomeen vormen.
Hypothese
Nog niet bewezen en voorlopig antwoord op de 'vraag' in de probleemstelling. Heeft betrekking op een veronderstelde samenhang of een verondersteld verschil tussen groepen onderzoekseenheden wat betreft een bepaald kenmerk.
Template
Een theoretisch model dat als mal gebruikt wordt om bijvoorbeeld te kijken of met dat model het te onderzoeken fenomeen verklaard kan worden.
Begroting
Een overzicht van de kosten van een onderzoek, uitgesplitst naar verschillende kostenposten.
Planning
Een gedetailleerd tijdsschema, waarin staat wanneer bepaalde onderzoeksactiviteiten zijn gepland, hoe lang ze gaan duren en door wie ze worden uitgevoerd.
Incentive
Een beloning om mensen te stimuleren aan het onderzoek mee te doen.
Non-respons
Percentage geplande interviews of enquêtes die geen doorgang vinden, onder meer door weigeringen.
Onderzoeksontwerp
Keuze voor een specifieke manier van onderzoeken - dus voor een survey of een experiment - en de daarbij behorende invulling van deze methode.
Design
Synoniem voor onderzoeksontwerp.
Survey
Een onderzoeksmethode gericht op het verzamelen van gegevens over kenmerken van eenheden, met als doel die kenmerken te beschrijven of verbanden tussen die kenmerken te ontdekken.
Experiment
Een onderzoeksmethode gericht op het vaststellen van een causale relatie, waarbij er meestal sprake is van een gemanipuleerde experimentele onafhankelijke variabele en een afhankelijke testvariabele.
Operationaliseren
Vertalen van een kenmerk in concreet meetbare termen waarbij nauwkeurig de categorieën worden vastgelegd, alsmede voorschriften hoe de onderzoekseenheden ingedeeld moeten worden. Het geoperationaliseerde kenmerk wordt een variabele genoemd.
Beschrijvend onderzoek
Onderzoek waarbij het gaat om de registratie en systematische ordening van wat zich voordoet op een bepaald gebied, en waarbij niet wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een theorie of het formuleren van een hypothese. Dit is bijvoorbeeld het geval bij onderzoek naar de naamsbekendheid van een bepaald product.
Kwantitatieve survey
Survey waarbij het onderzoeksmateriaal bestaat uit cijfermatige gegevens, die statistisch geanalyseerd worden om antwoord te geven op de onderzoeksvraag.
Kwalitatieve survey
Survey waarbij problemen in en van situaties, gebeurtenissen en personen beschreven en geïnterpreteerd worden met behulp van gegevens van kwalitatieve aard, zoals belevingen, ervaringen en betekenisverleningen, die verzameld zijn via open interviews en/of participerende observatie en/of gebruik van bestaande documenten.
Mixed methods research
Onderzoek waarbij zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden gebruikt worden.
Casestudie
Een gedetailleerde en intensieve studie van een of enkele eenheden die als voorbeeld moet dienen voor het te bestuderen fenomeen.
Etnografisch onderzoek
Bij etnografisch onderzoek maak je deel uit van de leefomgeving van de respondenten en beschrijf je die leefomgeving.
Focusgroep onderzoek
In een focusgroep onderzoek worden aan een groep of groepen vragen voorgelegd over een specifiek onderwerp.
Delphi-onderzoek
Het in verschillende ronden systematisch exploreren van ideeën, vaak van experts, over een specifiek onderwerp. Dit onderzoek wordt vaak gebruikt voor beleidsontwikkeling.
Verkennend onderzoek
Trial-and-erroronderzoek waarbij wordt begonnen met vage veronderstellingen over de werkelijkheid, met onscherp geformuleerde hypothesen of verwachtingen, om op die manier zo open mogelijk te staan voor de werkelijkheid en te komen tot de ontwikkeling van hypothesen.
Gefundeerde theoriebenadering
In de gefundeerde theoriebenadering wordt geprobeerd vanuit de analyse van ruwe data tot de ontwikkeling van een theorie te komen.
Longitudinaal onderzoek
Onderzoek dat betrekking heeft op hetgeen zich in een (lang) tijdsverloop voordoet.
Panelonderzoek
Bij panelonderzoek wordt een vaste groep gevolgd en worden er op verschillende tijdstippen metingen gedaan.
Trendonderzoek
Onderzoek gericht op het in kaart brengen van een ontwikkeling.
Oorzakelijk verband (causaliteit)
De ene variabele (x) is (gedeeltelijk) een oorzaak van de andere variablele (y). Er is bijvoorbeeld een oorzakelijk verband tussen opleidingsniveau en inkomen.
Schijnverband
Een (schijn)relatie tussen twee kenmerken die in feite gebaseerd is op het effect van een derde kenmerk.
Mediërend kenmerk
Een kenmerk dat een (deel van het) verband tussen andere kenmerken verklaart.
Moderator kenmerk
Een kenmerk dat invloed heeft op de relatie tussen andere kenmerken, zoals het geslacht.
Zuiver experiment
Een experiment waarbij de proefpersonen op random basis aan de experimentele dan wel de controlegroep worden toegewezen.
Quasi experiment
Een experiment waarbij de proefpersonen niet op random basis aan de experimentele dan wel de controlegroep worden toegewezen.
Randomiseren
Indeling van proefpersonen in groepen (experimentele en controlegroep) volgens een toevalsproces.
Dubbelblindonderzoek
Een experiment waarbij de onderzoeker en de respondenten niet weten wie tot de experimentele en wie tot de controlegroep behoren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door gebruikmaking van placebo's.
Selectie
Wanneer mensen zich vrijwillig aanmelden voor een experiment, is er waarschijnlijk sprake van een gemotiveerde selecte groep, die niet representatief is voor de totale populatie.
Matching
Bij een experimenteel ontwerp gelijkmaken van de groepen onder de verschillende condities op een of meer variabelen waarvan je denkt dat ze samenhangen met de afhankelijke variabele en daarom een storende werking kunnen hebben op het trekken van een conclusie over het effect van een experimentele op een afhankelijke variabele.
Tussentijdsvoorval
Een tussentijdse gebeurtenis die effect heeft op de afhankelijke variabele in een experiment.
Tijdreeksanalyse
Ontwerp waarbij bij dezelfde onderzoekseenheden op verschillende tijdstippen metingen worden verricht op de afhankelijke variabele.
Statistische regressie naar het gemiddelde
Extreem hoge scores hebben bij een tweede meting de neiging lager te zijn en voor extreem lage scores geldt het omgekeerde.
Verwachtingseffect
Een onbedoeld experimenteel effect, doordat respondenten in de experimentele groep zich anders gaan gedragen, doordat ze weten dat ze deel uitmaken van de experimentele groep.
Productevaluatie
Onderzoek waarbij bij een ingreep, zoals een voorlichtingsprogramma, nagegaan wordt of het beoogde effect bereikt is. Betreft meestal kwantitatief experimenteel onderzoek.
Procesevaluatie
Onderzoek waarbij bij een ingreep, zoals een voorlichtingsprogramma, nagegaan wordt hoe de interventie verlopen is. Betreft meestal kwalitatief onderzoek.
Actieonderzoek
Een interactieve manier van onderzoeken. Al handelend probeert de onderzoeker samen met de betrokkenen te onderzoeken of de geplande verandering het gewenste effect oplevert.
Populatie
Het totaal van eenheden waarop een onderzoek betrekking heeft en waarover een uitspraak wordt gedaan.
Steekproef
Een of meer eenheden getrokken uit de populatie, die representatief zijn voor de populatie.
Steekproefkader
Een populatiebestand waaruit een steekproef getrokken kan worden.
Aselecte enkelvoudige steekproef
Een steekproef die random getrokken is en waar iedere eenheid een gelijke kans heeft om in de steekproef te komen.
Getrapte steekproef
Het trapsgewijs trekken van een steekproef. Er worden bijvoorbeeld eerst aselect bedrijven geselecteerd en vervolgens worden binnen de bedrijven aselect managers geselecteerd.
Weging
Wanneer bepaalde groepen in een steekproef ondervertegenwoordigd zijn, kunnen ze een zwaarder gewicht in de steekproef krijgen om de ondervertegenwoordiging te compenseren.
Random digit dialing
Het op toevalsbasis draaien van telefoonnummers.
Gestratificeerde steekproef
Voor de steekproeftrekking wordt de populatie verdeeld in twee of meer deelpopulaties of strata, waarna aselect uit de onderscheiden strata de onderzoekseenheden worden getrokken.
Non-respons
Percentage geplande interviews, enquêtes of observaties die geen doorgang vinden, onder meer door weigeringen.
Gemakssteekproef/(Verlegenheidssteekproef)
Een selecte vorm van steekproeftrekking, die gebaseerd is op de beschikbaarheid van respondenten. Je stelt bijvoorbeeld de eerste honderd bezoekers van je site een aantal vragen.
Quotasteekproef
Voor de steekproeftrekking wordt de populatie verdeeld in twee of meer deelpopulaties of strata, waarna uit de onderscheiden strata zonder toevalsprocedure een vooraf bepaald aantal (quota) onderzoekseenheden wordt getrokken.
Sneeuwbalsteekproef
Respondenten worden geworven door aan de respondenten die in het onderzoek betrokken zijn te vragen of zij iemand kennen met bijvoorbeeld dezelfde problematiek.
Doelgerichte steekproef
Een door de onderzoeker bewust samengestelde steekproef, waarbij de respondenten representatief worden geacht voor de te onderzoek problematiek.
Betrouwbaarheidsinterval
Het interval waarbinnen de populatiewaarde zich bevindt, afhankelijk van het gekozen betrouwbaarheidsniveau.
Betrouwbaarheidsniveau
De zekerheid waarmee een uitspraak gedaan wordt over de populatie op basis van steekproefgegevens.
Foutenmarge
De fout die je acceptabel vindt bij de voorspelling van een populatiewaarde op basis van een steekproef.
Standaarddeviatie
Een maat voor de spreiding van scores.
Saturatie/verzadiging
Kwalitatieve onderzoekers gaan meestal net zo lang door met de dataverzameling totdat zich geen nieuwe informatie meer aandient. Dat is het moment van saturatie.
Groei
Een verandering in de afhankelijke variabele die louter het gevolg is van een toename in de tijd, bijvoorbeeld als gevolg van ouder worden.
Begrip zoals bedoeld/Kenmerk
Een abstracte aanduiding van een verzameling eigenschappen of objecten met gemeenschappelijke kenmerken. Bijvoorbeeld: Agressie
Begrip zoals bepaald/Variabele
De vertaling van een begrip in concreet meetbare termen. Een intelligentietest, bijvoorbeeld de WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale) is een concrete vertaling van het begrip 'intelligentie'.
Operationaliseren
Vertalen van een kenmerk in concreet meetbare termen waarbij nauwkeurig de categorieën worden vastgelegd, alsmede voorschriften hoe de onderzoekseenheden ingedeeld moeten worden. Het geoperationaliseerde kenmerk wordt een variabele genoemd.
Topiclijst
Een lijst met onderwerpen die relevant zijn om te bespreken in een interview, gezien de onderzoeksvraag.
Informant
Iemand die informatie geeft over een kenmerk van een onderzoekseenheid.
Sociale wenselijkheid
Het geven van antwoorden of het je gedragen volgens wat de respondent denkt dat de norm is.
Deskresearch
Onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande gegevens.
Datatriangulatie
Het gebruik van meer dan een dataverzamelingsmethode om de geldigheid van de dataverzameling te vergroten.
Instrumentele validiteit
De mate waarin men met een instrument meet wat beoogt wordt.
Geldigheid
Door kwalitatieve onderzoekers gebruikt begrip voor validiteit.
Ecologische validiteit
De vraag of je bevindingen opgedaan in een bepaalde situatie kunt generaliseren naar andere situaties.
Betrouwbaarheid
De mate waarin een meting onafhankelijk is van toeval.
Stabiliteit
De mate waarin dezelfde meetresultaten verkregen worden bij herhaalde metingen.
Homogeniteit
De mate waarin vragen in een vragenlijst of items in een observatielijst hetzelfde meten.
Cronbachs alpha
Maat voor de homogeniteit.
Gestructureerd interview/
Enquête
Interview waarin de vragen en de meeste antwoordmogelijkheden van te voren vastgelegd zijn.
Ongestructureerd interview/
Open interview
Interview waarin de vragen en de antwoordmogelijkheden NIET vastliggen. Wel wordt soms een topiclijst gebruikt.
Zin aanvullen
Een associatieve techniek, waarbij de onderzoeker het begin van een zin geeft en vraagt om die aan te vullen.
Projectieve technieken
Een onderzoeker geeft bijvoorbeeld een plaatje van een situatie en vraagt een respondent te beschrijven wat hij ziet. Het idee is dat de respondent zijn gevoelens en gedachten hierop projecteert.
Imago-onderzoek
Onderzoek naar de beelden die mensen, producten of organisaties oproepen.
CATI/
Computer Assisted Telephone Interviewing
Een telefonische enquête die met een computerprogramma wordt afgenomen. De interviewer krijgt de relevante vragen in beeld en kan de antwoorden aanklikken of intikken.
CAPI/
Computer Assisted Personal Interviewing
Een mondelinge face to face enquête die met een computerprogramma wordt afgenomen. De interviewer krijgt de relevante vragen op een laptop in beeld en kan de antwoorden aanklikken of intikken.
Routing
Een computerprogramma bepaalt aan de hand van reeds gegeven antwoorden van de respondent welke vervolgvragen gesteld worden.
Websurvey
Een via internet uitgevoerde enquête.
Anoniem
Een onderzoeker weet niet van wie de onderzoeksgegevens afkomstig zijn en weet dus ook niet wie wel of niet een vragenlijst heeft ingevuld.
Vertrouwelijk
Een onderzoeker weet wel wie een vragenlijst heeft ingevuld, maar kan de ingevulde gegevens niet aan een respondent koppelen doordat hij bijvoorbeeld de persoonsgegevens loskoppelt van de antwoorden.
Beoordelingsschaal/
Rating scale
Schaal om de intensiteit van bijvoorbeeld gedrag of een mening vast te stellen.
Gestructureerde observatie
Hier liggen het gedrag waar je op let en de beoordelingscategorieën voor dit gedrag vast.
Ongestructureerde observatie
Hier liggen het gedrag waar je op let en de beoordelingscategorieën voor dit gedrag niet vast.
Participerende observatie
Veldonderzoek waarbij de onderzoeker meedoet aan bepaalde activiteiten van de groep of groepen die hij bestudeert. De onderzoeker stelt zich op als actief groepslid.
Verhulde observatie
Het is voor de geobserveerde personen niet duidelijk dat ze geobserveerd worden.
Event sampling
Observatiemethode waarbij wordt vastgesteld of bepaalde gebeurtenissen al dan niet plaatsvinden.
Time sampling
Het vaststellen of bepaald gedrag op van tevoren vastgestelde momenten voorkomt.
Respondentenbederf
Door respondenten vaak te vragen aan een onderzoek mee te doen, worden ze onderzoeksmoe.
Non-reactief/
Unobtrusive
Onderzoeksmateriaal dat niet beïnvloed wordt door de onderzoekssituatie of de onderzoeker, doordat het niet ten behoeve van een onderzoek verzameld is.
Heranalyse
Het opnieuw analyseren van bestaande gegevens.
Secundaire analyse
Het analyseren van bestaand onderzoeksmateriaal voor het beantwoorden van een nieuwe onderzoeksvraag.
Meta-analyse
Het op statistische wijze samenvatten van de uitkomsten van verschillende onderzoeken.
Review
Overzicht van de stand van zaken op een bepaald onderzoeksterrein.
Inhoudsanalyse
Kwantitatieve of kwalitatieve analyse van de inhoud van bestaande informatie (brieven, artikelen, tv- en radioprogramma's).
Conversatie- of Discourse-analyse
Het onderzoeken van specifieke manieren van taalgebruik, vooral in interacties.
SPSS
Veelgebruikt softwarepakket om statistische analyses uit te voeren.
Datamatrix
Hierin voer je de onderzoeksgegevens in, zodat je ze statistisch kunt verwerken. De rijen vormen meestal de eenheden, de kolommen de variabelen.
Meetniveau
Het meetniveau van je gegevens, te weten: nominaal, ordinaal, interval- of rationiveau.
Nominaal meetniveau
Meetniveau waarbij de waarden (getallen) van een variabele alleen maar te interpreteren zijn als etiket of naamgeving, zoals bij het geslacht.
Ratiomeetniveau
Meetniveau waarbij de verhouding tussen meetwaarden (getallen) van een variabele eveneens de verhouding weergeeft tussen de waarden van de begrippen in de werkelijkheid. Deze schaal heeft een natuurlijk of absoluut nulpunt.
Ordinaal meetniveau
Meetniveau waarbij tussen meetwaarden (getallen) van een variabele een rangorde kan worden aangebracht in termen van meer of minder.
Interval meetniveau
Meetniveau waarbij gelijke verschillen tussen meetwaarden (getallen) van een variabele duiden op gelijke verschillen tussen de eenheden in werkelijkheid.
Continue gegevens
Gegevens waarbij oneindig veel waarden voor kunnen komen. Het gewicht is daar een voorbeeld van.
Discrete gegevens
Gegevens van nominaal meetniveau waarbij geen sprake is van ordening in de zin van meer of minder, zoals de stad waar men studeert.
Kwalitatieve gegevens
Gegevens waarbij de waarden (getallen) van een variabele alleen maar te interpreteren zijn als etiket of naamgeving, zoals bij het geslacht.
Kwantitatieve gegevens
Kwantitatieve gegevens zijn gegevens waarbij sprake is van een kwantiteit, hoeveelheid of volgorde in de zin van meer of minder, hoger of lager en dergelijke.
Beschrijvende statistiek
Statistiek die gebruikt wordt voor het beschrijven van databestanden.
Inferentiële statistiek
Statistische technieken waarbij je schattingen over populatiekenmerken doet op basis van steekproefgegevens.
Statistisch significant
Een effect is statistisch significant wanneer de kans op toeval om een gevonden statistische testwaarde te vinden kleiner is dan een van tevoren vastgelegd niveau. Meestal wordt als kritische grens 5% genomen; alpha is .05.
Non-parametrische toetsen
Statistische toetsings- en schattingstechnieken waarbij geen gebruik wordt gemaakt van de afstanden tussen scores, maar alleen van het hoger of lager zijn van een score in vergelijking met andere scores.
(Frequentie)tabel
Een overzicht van de verdeling van frequenties behorende bij de waarde, of klasse van waarden van een bepaald kenmerk.
Cumulatief percentage
Is de som van de percentages behorende bij een specifieke waarde en de percentages van alle waarden die lager zijn.
Klassenindeling
Het groeperen van waarden als er sprake is van veel waarden, zoals bij leeftijd.
Kruistabel
Een tabel waarin de frequentie van de combinatie van waarden van twee nominale variabelen wordt weergegeven. De kleinste kruistabel is een 2x2-tabel.
Staafdiagram
Een grafiek waarin de hoogte van staven de frequenties van de waarden van een nominaal gemeten variabele representeren.
Cirkeldiagram
Een grafiek in de vorm van een cirkel, waarbij de grootte van de punten de frequenties van de waarden van een nominaal gemeten variabele representeren.
Histogram
Een grafische weergave van de frequenties van de waarden van een variabele op interval- of rationiveau in de vorm van aaneengesloten staven, waarbij een staaf een bepaald klasseninterval van waarden representeert.
Normaalverdeling
Verdeling die wat betreft vorm mooi symmetrisch is en een aflopende dichtheid heeft in beide staarten van de verdeling.
Scheefheid
Mate waarin de vorm van een verdeling nietsymmetrisch is; we onderscheiden daarbij rechtsscheef (uitloper naar rechts) en linksscheef (uitloper naar links).
Uitbijter
Een waarde die sterk afwijkt van de andere gevonden waarden.
Spreidingsdiagram
In een spreidingsdiagram vertegenwoordigt iedere punt de waarde op twee variabelen (x,y) voor een respondent, waardoor het een indicatie geeft voor de samenhang tussen beide variabelen.
Regressielijn
De grafische weergave in de vorm van een lijn van het best passende verband tussen twee variabelen. Wordt gebruikt om y op basis van x te voorspellen.
Correlatie
Statistische maat waarmee de sterkte van de samenhang tussen twee variabelen (van ten minste intervalmeetniveau) wordt aangegeven; bijvoorbeeld tussen hypotheeklasten en inkomen.
Negatief verband
Verband tussen twee variabelen, waarbij een hogere score op de ene variabele samengaat met een lagere score op de andere variabele en andersom.
Positief verband
Verband tussen twee variabelen, waarbij een hogere score op de ene variabele samengaat met een hogere en lagere score op de ene variabele met een lagere score op de andere variabele.
Gemiddelde
Het gemiddelde is een centrummaat, waarbij de som van alle waarden gedeeld wordt door het aantal waarden.
Mediaan
Beschrijvende statistische centrummaat: de waarde waaronder en waarboven evenveel scores vallen.
Modus
Beschrijvende statistische centrummaat: de score die in een frequentieverdeling het meest voorkomt.
Range
Een spreidingsmaat; het verschil tussen de hoogst en laagst gevonden waarde.
Variantie
Een spreidingsmaat, de gemiddelde gekwadrateerde aftstand tot het gemiddelde.
Standaarddeviatie
De wortel uit de variantie, een maat voor de spreiding van scores.
Steekproefvariantie
Een spreidingsmaat voor de steekproef, de som van de gekwadrateerde aftstanden tot het gemiddelde, wordt gedeeld door de steekproefgrootte minus 1.
Kurtosis
Is een maat voor de relatieve steilheid van een normaalverdeling.
Standaardfout
De standaardafwijking van het steekproefgemiddelde. Naarmate de standaardfout groter is, speelt toeval een grotere rol en zijn de betrouwbaarheidsmarges waarbinnen je een populatiegemiddelde voorspelt groter.
T-toets
In geval van een steekproef wordt getoetst wat de kans is om een gevonden steekproefgemiddelde te vinden, afgezet tegen een verondersteld populatiegemiddelde. Bij twee steekproeven wordt getoetst wat de kans is om een verschil in twee steekproefgemiddelden te vinden afgezet tegen de veronderstelling dat er in de populatie geen verschil is.
Onafhankelijke steekproeven
Steekproeven waarbij de meting in de ene steekproef onafhankelijk is van de meting in de andere steekproef.
Afhankelijke steekproeven
Steekproeven waarbij de meting in de ene steekproef afhankelijk is van de meting in de andere steekproef, zoals voor nametingen bij dezelfde eenheden het geval is.
Vrijheidsgraden
Het geschatte aantal onafhankelijke waarden in een statistische test.
Eenzijdige toetsing
Bij steekproeven is hier sprake van wanneer je verschillen of samenhangen toetst en al een verwachtingen vooraf hebt.
Tweezijdige toetsing
Bij steekproeven is hier sprake van wanneer je verschillen of samenhangen toetst maar nog geen verwachting vooraf hebt.
Chi-kwadraattoets
Een statistische toets om te berekenen hoe groot de kans is dat een gevonden frequentieverdeling bij een categorische/nominale variabele op toeval berust.
Gefundeerde theoriebenadering
In deze benadering wordt geprobeerd vanuit de analyse van ruwe kwalitatieve data tot de ontwikkeling van een theorie te komen.
Iteratief proces
Een proces van voortdurend passen en meten.
Labeling
Een vorm van datareductie, door het toekennen van labels aan bijvoorbeeld interviewfragmenten.
Open coderen
Het toekennen van labels aan bijvoorbeeld interviewfragmenten, waarbij je zo dicht mogelijk bij de inhoud van het fragment probeert te blijven.
Axiaal coderen
Het ordenen van de bij de open codering gemaakte labels in relevante rubrieken of categorieën.
Selectief coderen
Het integreren van de coderingscategorieën in een model.
Etnografisch onderzoek
Bij etnografisch onderzoek maak je deel uit van de omgeving van de respondenten en beschrijf je de leefomgeving/cultuur.
Participerend onderzoek
Veldonderzoek waarbij de onderzoeker meedoet aan bepaalde activiteiten van de groep of groepen die hij bestudeert. De onderzoeker stelt zich op als actief groepslid.
Casestudie
Een gedetailleerde en intensieve studie van één of enkele eenheden die als voorbeeld moet dienen voor het te bestuderen fenomeen.
Editing
Een wat globalere manier van het analyseren van teksten dan in de gefundeerde theoriebenadering.
Sensitizing concept
Een richtinggevend begrip bij de analyse van kwalitatief onderzoeksmateriaal.
Template benadering
Bij een template benadering heb je al een meestal theoretisch uitgangspunt dat dient om een coderingssysteem te ontwikkelen, dat je gebruikt om kwalitatieve gegevens te analyseren.
Subjectiviteit
Interpretaties die gestuurd worden door de ideeën en gevoelens van de onderzoeker.
Plausibiliteit
De aannemelijkheid: hoe geloofwaardig is het gevonden onderzoeksresultaat?
Geldigheid
In kwalitatief onderzoek veel gebruikt woord als alternatief voor validiteit.
Triangulatie
Het analyseren van een probleem vanuit verschillende invalshoeken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van verschillende dataverzamelingstechnieken.
Audit trail
Het bijhouden van alle onderzoeksbeslissingen en wijzigingen in bijvoorbeeld een logboek.
Peer debriefing
Het laten lezen en beoordelen van je analyses door niet bij het onderzoek betrokken collega's.
Member checking
Het laten lezen en beoordelen van je analyses door personen die deel uitmaken van de onderzoeksgroep.
Negatieve caseanalyse
Het zoeken naar cases die een theorie niet steunen.
OTHER SETS BY THIS CREATOR