31 terms

nederlands

STUDY
PLAY

Terms in this set (...)

rekwisiet
decorstuk, toneelvoorwerp
debutant
acteur die voor de eerste keer speelt
premiere
eerste voorstelling
souffleur
persoon die de tekst fluistert als de acteurs hun tekst vergeten
auditie
'solicitatie' van de acteurs, toneelopvoering als proef
matineevoorstelling
toneelopvoering 's morgens of 's middags
regisseur
de artistieke leider van een toneelstuk
decor
inrichting en aankleding van het toneel
tragedie
treurspel, toneelstuk met een droevig of rampzalig slot
komedie
blijspel, grappige vertoning
klucht
kort toneelstuk waarin een komisch geval uit het dagelijks leven op een grappige manier wordt behandelt
plankenkoorts
zenuwachtige vrees van acteurs voor een optreden
figurant
acteur die een kleine, onbetekende rol vervult
hoofdrol
voornaamste, belangrijkste rol
rolverdeling
verdeling van de rollen in een toneelstuk
schouwburg
gebouw waarin toneelstukken worden opgevoerd; theater
coulise
beweegbaar zijstuk van een toneeldecor
bedrijf
deel van een toneelstuk opgebouwd uit een aantal scènes
improvisatie
opvoering die op het moment zelf wordt bedacht
foyer
drinkgelegenheid naast de theaterzaal waar je na de voorstelling de acteurs kunt ontmoeten
gestiek
lichaamshouding, gebaren
mimiek
gezichtsuitdrukking
karkas
de ribbenkast
ingridiënten
benodigdheden, bestanddeel
alternatief
andere mogelijkheid
expeditie
een reis in functie van de wetenschap
opstrijken
verdienen, krijgen
op grote schaal
heel veel, in grote mate
verbouwen
op een akker telen, kweken
sjouwen
sleuren, verplaatsen met enige moeite
monopolie
het alleenrecht om iets uit te voeren