54 terms

Economie begrippen basis

Hier alle begrippen die de basisleerlingen voor het examen moeten kunnen.
STUDY
PLAY
Accijns
Een bijzondere verbruiksbelasting met als doel de prijs te verhogen en daardoor het verbruik te verminderen.
Afzet
Het aantal producten dat verkocht is.
Arbeidsproductiviteit
Hoeveel producten een werkend persoon in een bepaalde tijd (uur, week, jaar) maakt.
Automatisering
Computers nemen de menselijke besturing over.
Basisbehoeften
De behoefte aan eten en drinken, onderdak en kleding.
Brutowinst
Het verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs.
Budgetplan
Een overzicht van inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode.
Chartaal geld
Wettige betaalmiddel: bankbiljetten en munten.
Consumentengedrag
De manier waarop jij en andere mensen geld uitgeven.
Consumentenprijs
Verkoopprijs inclusief btw (winkelprijs)
Consumptief krediet
Geld lenen voor de aankoop van (grotere) consumptiegoederen
Contigentering
De maximale hoeveelheid van een product die in één jaar mag worden ingevoerd.
Creditsaldo
Een positief saldo op je bankrekening
Debetsaldo
Een negatief saldo op je betaalrekening, je staat rood.
Directe ruil
De ruilen van producten zonder gebruik te maken van geld.
Economische groei
Vergroting van de productie , waardoor er meer werk en een hoger inkomen mogelijk is.
Europese Unie
Landen uit Europa die samenwerken en een economische eenheid voprmen. Binnen de EU is er vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.
Eurozone
De landen waar de euro als wettig betaalmiddel is ingevoerd.
Exporteren
Het uitvoeren van goederen en diensten naar het buitenland.
Exportsubsidie
Een subsidie op exportproducten om de prijs kunstmatig laag te houden.
Formele productie
Productie in bedrijven en bij de overheid. Het werk is betaald, geregistreerd en er wordt belasting over het inkomen betaald.
Functies van geld
Ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel
Giraal geld
Tegoeden op bankrekeningen.
Importeren
Het invoeren van goederen en diensten uit het buitenland.
Incidentele uitgaven
Grote uitgaven die je niet regelmatig doet of die je nog niet had verwacht.
Indirecte ruil
Producten ruilen tegen geld en dat geld weer ruilen tegen goederen.
Informele productie
Onbetaald, niet-geregistreerd werk in huishoudens en door vrijwilligers.
Inkomensvormen
Inkomen uit arbeid, inkomen uit bezit en overdrachtsinkomen
Invoerrechten
Belastingen die betaald moeten worden over bepaalde importgoederen die buiten de EU komen.
Koopkracht
De hoeveelheid producten die je met je geld kunt kopen.
Leenmotieven
Twee redenen, tijdelijk geld tekort of je wilt eerder profiteren van een aankoop.
Lenen
Gebruik maken van het geld van anderen om iets te kunnen kopen.
Maatschappelijke kosten
De kosten die door de overheid gemaakt moeten worden om de gevolgen van milieuvervuiling te voorkomen of op te lossen.
Mechanisatie
Machines nemen het werk van arbeiders over.
Milieuschade
Negatieve gevolgen voor het milieu veroorzaakt door burgers, bedrijven en overheid.
Monocultuur
De afhankelijkheid voor het inkomen van één of enkele producten.
Nationaal inkomen
Het totaal van alle inkomens van een land.
Nationaal product
De totale waarde van productie van een land.
Nettoresultaat
Brutowinst - alle bedrijfskosten.
Noodhulp
Tijdelijke hulp in noodsituaties.
Omzet
De geldopbrengst van alle verkochte producten.
Ontwikkelingsland
Een land waar de meeste mensen weinig verdienen om rond te komen.
Ontwikkelingssamenwerking
Samen met een ontwikkelingsland probeert een rijk land de leefsituatie te verbeteren.
Overige behoeften
Niet nodige of luxe behoeften.
Prioriteitenlijst
Een lijst met behoeften waarvan de belangrijkste bovenaan staan.
Produceren
Het maken van producten en het verlenen van diensten.
Productiefactoren
Alles wat je nodig hebt om te kunnen produceren: natuur, arbeid en kapitaalgoederen
Protectionisme
Alle maatregelen die een overheid neemt om bedrijven in eigen land te beschermen tegen buitenlands concurrentie.
Spaarmotieven
Redenen om te gaan sparen: voor doel, uit voorzorg of voor de rente.
Structurele hulp
Hulp op lange termijn, waardoor de mensen leren in hun eigen levensonderhoud te voorzien.
Technologische ontwikkelingen
Door dat de techniek steeds verder gaat, verbetert de productie of wordt de productie groter.
Vaste lasten
Uitgaven die iedere maand of kwartaal terugkomen.
Vrijhandel
Als er geen sprake is van handelsbelemmeringen.
Wisselkoers
De prijs van buitenlands geld (vreemde valuta) uitgedrukt in euro's