22 terms

Hoofdstuk 7 basis

STUDY
PLAY
Inkomensvormen
Inkomen uit arbeid, inkomen uit bezit en inkomensoverdracht.
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die van je inkomen kunt kopen.
Basisbehoeften
De behoeften van eten, drinken, onderdak en kleding.
Overige behoeften
Die niet-noodzakelijke behoeften.
Prioriteitenlijst
Een lijst met behoeften waarvan de belangrijkste boven aan staan.
Dagelijkse uitgaven
Huishoudelijke uitgaven voor voeding, persoonlijke, verzorging, zakgeld, uitgaan.
Vaste lasten
Uitgaven die je met een vaste regelmaat moet betalen
Incidentele uitgaven
Grotere uitgaven die af en toe voorkomen
Wet productaansprakelijkheid
Een wet die regelt dat de producent verantwoordelijk is voor de schade veroorzaakt door een gebrekkig product
Budgetplan
Overzicht van inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode.
Functies van geld
Ruilmiddel, rekenmiddel, spaarmiddel
Creditsaldo
Een positief saldo op je bankrekening . Je hebt tegoed.
Debetsaldo
een negatief saldo op je rekening .Je hebt te kort
Lenen
Gebruikmaken van geld van anderen om aankopen te doen.
Consumptief krediet
Geld lenen voor aankoop van (grotere) consumptiegoederen
Sparen
Een deel van je inkomen niet besteden.
Rente
Een vergoeding voor het lenen van geld.
Marketing
Alles wat een bedrijf doet om meer producten te verkopen.
Commerciële reclame
Reclame met als doel meer producten te verkopen.
Ideële reclame
Reclame met de bedoeling het gedrag van mensen te veranderen.
Consumer power
De invloed van consumenten op de productie van goederen.
Vergelijkend warenonderzoek
Dezelfde producten worden met elkaar vergeleken op prijs en kwaliteit.