24 terms

U 21

STUDY
PLAY
un oncle
een oom
une tante
een tante
l'anglais
het Engels
la mer
de zee
un pays
een land
un village
een dorp
une ville
een stad
un peu
een beetje
divorcé(e)
gescheiden
méchant(e)
boosaardig, slecht
seul(e)
alleen(staan)
près de la mer
dicht bij de zee
jouer de la guitare
gitaar spelen
jouer du piano
pianospelen
parler anglais
Engels spreken
parler à Sam
spreken met/tegen Sam
travailler
werken
venir
komen
je viens
ik kom
Je parle beaucoup.
Ik praat veel.
Je parle peu.
Ik praat weinig.
beaucoup de chats
veel katten
peu de chiens
weinig honden
J'ai encore un frère.
Ik heb nog een broer.