22 terms

U 25

STUDY
PLAY
une journée
een dag (duur)
la gymnastique
het turnen
un repas
een maaltijd
un petit déjeuner
een ontbijt
un dîner
een middagmaal, lunch
un souper
een avondmaal
un voisin
een buur
une voisine
een buurvrouw
après le repas
na de maaltijd
lire
lezen
Je lis.
Ik lees.
Tu lis.
Jij leest.
Il lit.
Hij leest.
dormir
slapen
Je dors.
Ik slaap.
partir
vertrekken
Je pars.
Ik vertrek.
sortir
buitengaan
sortir de l'école
de school buitengaan
se laver
zich wassen
se lever
opstaan
s'habiller
zich aankleden