28 terms

U 30

STUDY
PLAY
een vriend
un ami
een vriendin
une amie
een gsm
un GSM
een geneesmiddel
un médicament
een sms, bericht
un message
een fout
une faute
een pagina
une page
op bladzijde 5
à la page 5
een zin
une phrase
een tekst
un texte
een hoofd
une tête
een buik
un ventre
Het gaat beter.
Ça va mieux.
Tot morgen!
À demain!
die, dat
qui
de agent die spreekt
l'agent qui parle
het meisje dat zingt
la fille qui chante
indien, als je wil
si tu veux
indien, als hij wil
s'il veut
Hallo?
Allô?
Met wie spreek ik?
Qui est à l'appareil?
hoofdpijn hebben
avoir mal à la tête
buikpijn hebben
avoir mal au ventre
pijn aan de voeten hebben
avoir mal aux pieds
leren
apprendre
moeten
devoir
Ik moet
Je dois.
schrijven
écrire