How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

30 terms

Dutch vocab page 30

STUDY
PLAY
journey
de reis
voyage
de reis
plane
het vliegtuig
airline
de luchtvaartmaatschappij
to take off
opstijgen, steeg op, stegen op, zijn opgestegen
to land
landen, landde, landden, zijn geland
pilot
de piloot
flight
de vlucht
to fly
vliegen, vloog, vlogen, zijn gevlogen
underground
de metro
subway
de voetgangerstunnel
tube
de metro
to wave
wuiven, wuifde, wuifden, hebben gewuifd
to get on
instappen, stapte in, stapten in, zijn ingestapt
to get off
uitstappen, stapte uit, stapten uit, zijn uitgestapt
beside
naast
close to
dichtbij
luggage
de bagage
locker
het kluisje
coach
de touringcar
van
de bestelwagen
lorry
de vrachtwagen
taxi
de taxi
cabin
de hut
crew
de bemanning
wreck
het wrak
lifejacket
het reddingsvest
timetable
de dienstregeling
to catch
halen, haalde, haalden, hebben gehaald
bus
de bus