Only $35.99/year

Jeugdbeschermingsrecht deel 2

Terms in this set (26)

1. De tendens tot hervorming wortelde vooreerst in de gewijzigde sociaaleconomische omstandigheden op het einde van de 19de/begin van de 20ste eeuw. De familiale solidariteit kwam onder druk te staan: door de verstedelijking ontstonden lossere familieverbanden. Zowel de arbeidsbeweging als het verlichte deel van de burgerij ijverden voor een lotsverbetering van de arbeidsklasse. In dit kader moet de totstandkoming van de eerste sociale wetten gesitueerd worden en de wet op de schoolplicht. Hierbij speelden zowel het streven naar ontvoogding van de arbeidersklasse mee, als de zorg voor beheersing van deze potentieel revolutionaire groep. Aldus ontstond de tendens om de morele en sociale controle op de jeugdigen zo nodig dwangmatig door te voeren.
2. Theorie van sociaal verweer: Ten tweede speelden ook de gewijzigde strafrechtstheorieën en criminologische opvattingen een rol. De klassieke strafrechtsdoctrine, die uitging van het postulaat van de rationeel en uit vrije wil handelende mens die kosten en baten van zijn handelen afweegt, werd meer en meer aangevochten door meer deterministische stromingen die delinquentie beschouwden als de resultante van medisch-psychologische en/of sociale factoren. De maatschappij diende hiertegen beveiligd te worden, niet door met het gepleegde feit proportionele straffen, maar door maatregelen afgestemd op de persoonlijkheid van de daders, waarvan de duur in beginsel niet beperkt is.
3. Ten derde heeft ook de filantropische beweging in de burgerij een rol gespeeld in de totstandkoming van de wet op de kinderbescherming (ontstaan van patronagecomités die zich het lot van de kinderen uit het stedelijke proletariaat aantrokken).
1. De staatshervorming van 1980.
De gemeenschappen kregen o.a. de bevoegdheid m.b.t. persoonsgebonden aangelegenheden. In uitvoering hiervan heeft de BWHI dan aan de gemeenschappen bevoegdheid gegeven tot het regelen van een gedeelte van de jeugdbescherming. Art. 5 BWHI stelde toen; 'de jeugdbescherming met uitzondering van de aangelegenheden ressorterende onder het burgerlijk recht, het strafrecht of het gerechtelijk recht'.

2. De staatshervorming van 1988.
Bij de eerste staatshervorming werd door de Bijzondere Wet van 8 augustus 1988 de BWHI aangepast, onder meer op het vlak van de bevoegdheidsbepalingen aangaande de jeugdbescherming. De nieuwe omschrijving is tegelijk duidelijker en extensiever dan die van 1980 die tot zoveel bevoegdheidsconflicten aanleiding had gegeven. Daarin is verduidelijkt dat de sociale en gerechtelijke jeugdbescherming behoort tot de bevoegdheid van de gemeenschappen, waarna een lijstje volgt met vijf welomschreven uitzonderingen daarop. (Deze is nog hetzelfde als in art. 5 BWHI staat, enkel d is aangepast bij de volgende stap (vanaf behalve is eraan toegevoegd).

3. De staatshervorming van 2014.
Het federale regeerakkoord van oktober 2011 stelde een verdere communautarisering van het jeugdsanctierecht in het vooruitzicht, waarbij de gemeenschappen ook voor het materiële jeugdsanctierecht autonoom bevoegd worden. In essentie houdt deze wijziging in dat de eerder vermelde 'vierde' uitzondering, namelijk de federale (rest)bevoegdheid om de opgave te bepalen van de maatregelen die kunnen worden opgenomen in geval van jeugddelinquentie, wordt opgeheven. Uit de memorie van toelichting blijkt dat het de bedoeling is dat de gemeenschappen in de toekomst de volle bevoegdheid krijgen om de sociale reactie op de jeugddelinquentie te bepalen.
Wel wordt een nieuwe vierde uitzondering ingeschreven; de federale overheid is bevoegd voor de uitvoering van straffen voor uit handen gegeven jongeren, vanaf de leeftijd van 23 jaar.
1. Er wordt een strikte scheiding tot stand gebracht tussen de opdracht van het organisme belast met de vrijwillig aanvaarde hulpverlening enerzijds en de gerechtelijke jeugdbescherming anderzijds, om aan de hulpverlening op vrijwillige basis een maximale autonomie te geven.

De nieuw opgerichte comites voor bijzondere jeugdzorg werden ontheven van dergelijke taken, die de opbouw van een vrijwillige aangegane vertrouwensrelatie met het cliënteel kunnen belemmeren. Hun verhouding met de gerechtelijke overheden komt in een geheel ander daglicht te staan.

2. Er wordt nadrukkelijker gestalte gegeven aan het subsidiariteitsbeginsel. Dit beginsel impliceert enerzijds dat gerechtelijke dwangmaatregelen voorkomen moeten worden indien een probleemoplossing in het kader van de vrijwillig aanvaarde hulpverlening mogelijk is. Anderzijds houdt het ook in dat gerechtelijke tussenkomst mogelijk moet blijven wanneer geen probleemoplossing op vrijwillige basis voorhanden is en een dergelijke tussenkomst in het belang van de minderjarige geindiceerd is.

Daartoe werd een nieuw orgaan opgericht, de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand, dat sterk genoeg moest zijn om te verhinderen dat al te veel gevallen van problematische opvoedingssituaties een gerechtelijke afloop zouden krijgen. Tegelijk moest de commissie ook soepel genoeg zijn om, waar noodzakelijk, een doorgang naar de gerechtelijke overheden te verwezenlijken.

3. Zonder te raken aan het burgerrechtelijke statuut van de minderjarige, wordt de rechtspositie van de minderjarige in de buitengerechtelijke jeugdbescherming verstevigd: voor het eerst wordt principieel het recht van de minderjarige om te participeren in de besluitvorming ter zake erkend.

4. Ten slotte wordt de differentiatie van het hulpaanbod bevorderd.