14 terms

1.2 Thema 9: aan het + infinitief

STUDY
PLAY
Ze is aan het afwassen.
Wat is Ilse aan het doen?
Ze is aan het afdrogen.
Wat is Marie aan het doen?
Hij is een boek aan het lezen.
Wat is Tom aan het doen?
Hij is aan het slapen.
Wat is de baby aan het doen?
Ze is (naar) tv aan het kijken.
Wat is Emma aan het doen?
Hij is boodschappen aan het doen.
Wat is Paul aan het doen?
Ze zijn aan het fietsen.
Wat zijn deze mensen aan het doen?
Ze is haar haar aan het drogen.
Wat is Laura aan het doen?
Ze is het tapijt aan het stofzuigen.
Wat is Ella aan het doen? (het tapijt)
Ze is haar bloes aan het strijken.
Wat is Paula aan het doen? (haar bloes)
Ze zijn aan het voetballen.
Wat zijn Wim, Stefaan en Erik aan het doen?
Hij is aan het zwemmen.
Wat is Frederik aan het doen?
Hij is naar muziek aan het luisteren.
Wat is Matthias aan het doen?
Ze is haar tanden aan het poetsen.
Wat is Greta aan het doen?
OTHER SETS BY THIS CREATOR