How can we help?

You can also find more resources in our Help Center.

28 terms

Dutch vocab quiz 24

Dutch vocab quiz 24
STUDY
PLAY
neighbours
de buren
for sale
te koop
same
zelfde
wall
de muur
chair
de stoel
wood
het hout
wooden
houten
window
het raam
to move
verhuizen, verhuisde, verhuisden, zijn verhuisd
to knock
kloppen, klopte, klopten, hebben geklopt
to enter
binnengaan, ging binnen, gingen binnen, zijn binnen gegaan
to push
duwen, duwde, duwden, hebben geduwd
to pull
trekken, trok, trokken, hebben getrokken
to ring
aan bellen, belde aan, belden aan, hebben aan gebeld
bell
de bel
to close
dichtdoen, deed dicht, deden dicht, hebben dichtgedaan
to shut
sluiten, sloot, sloten, hebben gesloten
to lock
op slot doen, deed op slot, deden op slot, hebben op slot gedaan
gate
het hek/de poort
key
de sleutel
to turn
omdraaien, draaide om, draaiden om, hebben omgedraaid
bookcase
de boekenkast
shelf
de plank
fire
het vuur
fire
de brand
on fire
in brand
match
de lucifer
to burn
branden, brandde, brandden, hebben gebrand